← Het huis dat zijn grond verloor
Inhoudsopgave · hoofdstuk 6 van 22
  1. 1. De lade die niet dichtbleef
  2. 2. Los
  3. 3. Een ander uitzicht
  4. 4. Onder de brug
  5. 5. Fara’s boot
  6. 6. Eten aan de verkeerde kant
  7. 7. Niet door mijn wilgen
  8. 8. De baan door de weide
  9. 9. Alles aan één kant
  10. 10. De straat vaart mee
  11. 11. Achter de gesloten poort
  12. 12. Fara gaat
  13. 13. De hoek die bleef steken
  14. 14. Een kamer lager
  15. 15. Niet alleen mijn huis
  16. 16. Wat er weg mag
  17. 17. Zes ritten later
  18. 18. Recht genoeg
  19. 19. De vloer komt vrij
  20. 20. Bovenwater
  21. 21. De dingen die nog moeten
  22. 22. De eerste passagier

Hoofdstuk 6 van 22

Eten aan de verkeerde kant

Tegen de tijd dat het donker werd, kon Ties aan het geluid van voetstappen horen wie er over de kade kwam. Jet liep snel en stopte zonder te schuifelen. Bram liet zijn laarzen over de planken kraken. Zijn vader reed de fiets tot vlak bij de loopplank en vergat bijna elke keer dat de boodschappentassen er nog aan hingen.

De laatste keer waren het twee mensen die langzaam liepen en bij hun huis bleven staan.

‘Dat was vanochtend nog boven,’ zei een vrouw.

‘Ja,’ zei een man. ‘Dat weet ik.’

Daarna zeiden ze een hele tijd niets. Ties zat bij het raam met een mok thee en keek naar hun voeten. Een bruine schoen kwam dichterbij. Hij schoof het gordijn dicht. Meteen rook hij het eten beter.

Elias had aardappels gebakken in de grootste pan. Ernaast stond een schaaltje met dikke stukken komkommer. Renske zette drie borden neer. Haar werkjas hing over de bank. Op de mouw van haar trui zat nog een donker vochtig vlak.

‘Kan de tafel zo blijven?’ vroeg Ties.

‘Hij staat vast,’ zei ze.

‘Dat vroeg ik niet.’

Elias keek naar de hoek van het tafelblad. De tafel stond dichter bij het aanrecht dan thuis. Als Ties zijn stoel naar achteren schoof, botste hij tegen de voorraadkast.

‘Voor vanavond wel. Morgen moeten we kijken wat onderweg vast moet en waar je nog langs kunt.’

De voorraadkast stond tegen de rechter keukenwand. Het was een zwaar, breed ding met korte poten. Ooit had er een gordijntje voor gehangen. Nu zaten er twee deuren voor die zijn moeder zelf had gemaakt. Ties vond de kast vanbuiten mooi en vanbinnen onbegrijpelijk. Er stonden drie soorten meel in en geen van die pakken leek ooit leeg te raken. Achter de pot zout vond hij soms koekjes, maar vaker weer een ander pak meel.

Ze aten. Buiten reed een wagen over de kade. Het raam trilde licht. Elias keek op, nam nog een aardappel en deed alsof dat erbij hoorde.

‘Nelle wil morgenochtend kijken,’ zei Renske.

Ties legde zijn vork neer. ‘Met het huis?’

‘Eerst zonder. Wij lopen de route. Jet komt mee.’

‘En dan?’

‘Dan weten we meer.’

Hij pakte zijn vork weer op. Zijn moeder zag het.

‘Ik heb haar niet gevraagd of wij er gewoon doorheen mogen. Ik heb gevraagd of we samen kunnen kijken wat er nodig is. Dat is wat anders.’

Ties prikte een komkommerschil aan zijn vork. Hij wist dat ze gelijk had. Het maakte de volgende ochtend alleen niet dichterbij.

Elias stond op om drinken te pakken. Hij moest zich tussen Ties’ stoel en de kast door wringen. Daarbij haakte zijn trui aan een deurknop. Hij draaide een klein rondje om los te komen en trok toen per ongeluk de kastdeur open.

Een zak vermicelli viel eruit.

‘Kijk,’ zei Renske. ‘We hebben ook nog sliertjes.’

De zak was dicht gebleven. Elias raapte hem op en hield hem voor zijn gezicht.

‘Deze heeft de hele tocht speciaal op mij gewacht.’

Ties lachte met zijn mond vol. Er schoot een stukje komkommer op zijn bord. Zijn moeder schoof hem zonder commentaar een doekje toe.

Na het eten belde Renske met iemand over de lier en de ketting. Ze ging daarvoor niet naar buiten. Ties hoorde haar uitleggen wat ze had gedaan en waar het oog was gebroken. Ze zei ook dat de hulplijn nog niet vast zat. Geen keer maakte ze die zin kleiner.

Elias deed ondertussen de afwas. Ties droogde af. Hij moest goed kijken waar zijn vader alles neerzette. De kopjes hadden onderweg door elkaar gestaan. Eén had een afgebroken randje. Het was de mok met de dikke groene streep waar zijn moeder altijd koffie uit dronk.

Hij draaide hem in zijn handen.

‘Die kan weg,’ zei Renske achter hem. Ze had haar gesprek afgerond.

‘Je kunt hem lijmen.’

‘Ik kan er ook potloden in zetten. Voor hete koffie is hij niet meer fijn.’

Ties zette hem apart, naast de bieslook. Zijn vader spoelde een bord af en gaf het aan hem. Het was nog warm.

‘Wat kost zo’n heel huis terugbrengen?’ vroeg Ties.

Zijn vader draaide de kraan dicht. ‘Dat weten we nog niet precies.’

‘Veel?’

‘Meer dan ik er vanochtend voor opzij had gelegd.’

Renske ging aan tafel zitten. ‘Het gaat niet allemaal van wat wij morgen kunnen betalen afhangen. We gaan eerst uitzoeken hoe het met de verbinding en het onderhoud zit. Daar praat ik over met de mensen die de ketting hebben geleverd. Maar het werk moet wel gedaan worden. En Nelle hoeft geen schade aan haar land te houden omdat wij een huis zijn kwijtgeraakt.’

Ties pakte een theelepel uit het afdruiprek. ‘Ik heb nog geld van mijn verjaardag.’

‘Dat bewaar jij maar,’ zei Elias. ‘Ik ben bang dat de havenmeester niet in snoepgeld rekent.’

‘Het is niet alleen snoepgeld.’

‘Dan nog.’ Zijn vader gaf hem de laatste lepel. ‘Dit regelen wij.’

Later liep Renske met Jet de lijnen langs. Ties stond in de deuropening. In het donker zag hij niet waar het water ophield en de zwarte zijkant begon. Op de werkboot brandde een laag lampje. Iemand in de loods sloeg een deur dicht.

‘Mogen we hier echt slapen?’ vroeg hij toen zijn moeder terugkwam.

‘Ja. Jet heeft alles nog nagekeken. Ik ben beneden, en ik hoor het als er iets is. Jij mag ook bij ons in de kamer liggen als je wilt.’

Hij dacht aan de smalle bank en aan zijn vader die altijd met één been erbuiten sliep.

‘Ik ga naar boven.’

In de dakkamer deed hij het lampje aan. Het gele licht viel op het ladekastje. Ties schoof de lade dicht. Hij had de lat er vanmiddag weer onder gelegd, en deze keer werkte het. De lade bleef zitten.

Hij kleedde zich uit, trok zijn slaapshirt aan en kroop onder het dekbed. Door het raam zag hij geen aanlegpaal, alleen een mast die in de verte bewoog. Hij draaide zich om. Van beneden hoorde hij zijn vader een kastdeurtje sluiten.

‘Waar zijn de koffiefilters?’

‘Op dezelfde plek als gisteren,’ zei zijn moeder.

‘Dat is precies waar ze niet zijn.’

Ties trok het dekbed wat hoger. Toen dacht hij aan de gebroken mok. Hij stond nog één keer op, liep naar beneden en haalde hem bij de bieslook vandaan. Met het oor naar buiten paste hij precies op de hoek van zijn tafel. Zijn potloden konden er allemaal in.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.