← Het huis dat zijn grond verloor
Inhoudsopgave · hoofdstuk 1 van 22
  1. 1. De lade die niet dichtbleef
  2. 2. Los
  3. 3. Een ander uitzicht
  4. 4. Onder de brug
  5. 5. Fara’s boot
  6. 6. Eten aan de verkeerde kant
  7. 7. Niet door mijn wilgen
  8. 8. De baan door de weide
  9. 9. Alles aan één kant
  10. 10. De straat vaart mee
  11. 11. Achter de gesloten poort
  12. 12. Fara gaat
  13. 13. De hoek die bleef steken
  14. 14. Een kamer lager
  15. 15. Niet alleen mijn huis
  16. 16. Wat er weg mag
  17. 17. Zes ritten later
  18. 18. Recht genoeg
  19. 19. De vloer komt vrij
  20. 20. Bovenwater
  21. 21. De dingen die nog moeten
  22. 22. De eerste passagier

Hoofdstuk 1 van 22

De lade die niet dichtbleef

Ties had de lade drie keer geschuurd. Als zijn vader straks nog één keer zei dat je voor zo’n oud meubeltje geduld moest hebben, zou hij hem het schuurpapier geven. Dan kon Elias er zelf geduldig van worden.

Hij duwde tegen de houten knop. De lade schoof dicht. Hij liet los. Ze kwam twee vingers naar buiten.

‘Nee,’ zei Ties.

De lade trok zich daar niets van aan.

Hij zat op zijn knieën onder het schuine dak. Door het open raam kwam de geur van nat touw naar binnen. De regen was opgehouden, maar onder de dakgoot vielen nog dikke druppels. Elke druppel kwam op hetzelfde omgekeerde emmertje terecht. Tik. Tik. Ties had het emmertje met zijn voet willen verplaatsen, tot hij bedacht had dat hij daarvoor twee trappen af moest. Dat was precies wat hij vandaag niet wilde: steeds naar beneden.

Sinds zaterdag was de dakkamer van hem. Daarvoor hadden er een kapotte ventilator, de kerstspullen en zeven dozen gestaan waarop zijn moeder BELANGRIJK had geschreven. In één van die dozen had een andere doos gezeten, met op de zijkant OOK BELANGRIJK. Die hadden ze nog niet opengemaakt. Zijn moeder had hem dicht opgetild en gezegd dat ze er beneden vast een plek voor kon vinden.

De kamer zelf was niet nieuw. Ties had er als klein kind al rondgekropen, tussen de dozen. Maar nu stonden zijn bed en zijn boeken er. Hij mocht de deur sluiten, en als iemand iets wilde lenen, moest die het eerst vragen. Dat laatste had zijn vader gisteren nog een beetje moeten oefenen. Elias had een lat uit Ties’ stapel gepakt om een wiebelende tafel recht te zetten. Een mooie lat, die Ties net op lengte had gezaagd.

‘Je had er toch nog twaalf?’ had zijn vader gezegd.

Ties had hem aangekeken totdat hij de lat terugbracht.

Nu lag diezelfde lat onder de achterkant van het ladekastje. Ties trok hem weg. Het kastje zakte een klein stukje. De lade bleef dicht.

Hij ging achterover zitten. Zo. Hij pakte zijn potlood om de goede plek op de vloer af te tekenen. Het potlood gleed uit zijn vingers, rolde langs zijn knie en bleef tegen de plint liggen.

Dat was vreemd. Vijf minuten geleden was het naar de andere kant gerold.

Ties legde het opnieuw midden op de plankenvloer. Het rolde naar de plint. Langzaam, maar beslist. Hij keek naar de lat in zijn hand. Een lat onder een kastje kon de kamer niet scheef zetten. Zelfs deze lat niet.

Beneden klonk de lier. Drie korte metalen tikken, een lange ratel. Zijn moeder was met het grondgewicht bezig. Deze donderdag had ze tijdens het ontbijt gezegd dat ze de steen even schoon wilde maken. Door het hoge water kon ze er met de lier gemakkelijk bij. Anders had ze met een borstel onder de steiger moeten hangen.

‘Niet gaan bungelen,’ had Elias gezegd.

‘Dat ben ik juist van plan te voorkomen.’

Daarna was zijn vader naar zijn werk gefietst, met een boterham tussen zijn tanden en de doos fietslampjes onder zijn arm. Hij hielp deze vakantieweek in de werkplaats van het buurtdorp. Niet omdat ze daar geen mensen hadden die een lampje konden vastzetten, maar omdat Elias nooit een kapotte fiets kon zien zonder er iets aan te willen doen.

Ties stond op en liep naar het raam. Het paste precies tussen zijn tafel en de dakbalk. Buiten lag de Bovenkom vol bruin, glanzend water. Aan de overkant stonden de achterkanten van de huizen. Sommige waren van steen. Drie stonden net als hun huis op veerhout, met een lage zwarte rand vlak boven het water. Hun wasgoed hing er even gewoon bij als dat van de stenen huizen. Alleen vergat iedereen soms dat die onderbroeken een klein eindje mee konden varen.

De Bovenkom was geen echte kom. Aan de westkant liep hij breed uit naar de overloop. Daar ging het water, wanneer het hoog genoeg stond, tussen de lage stenen kanten door naar de rivier. Nu was die schuine baan helemaal nat. Boven het riet stak de peilstok uit, met de rode streep ruim onder de waterspiegel.

Op het lage voorbordes van het huis stond Renske met haar voeten wijd uit elkaar. Ze droeg haar oude groene werkjas. Haar haar zat opgestoken met het gele potlood dat ze nooit kon vinden als ze het nodig had. De lier zat op de dikke bordesbalk naast de voordeur. De ketting hing er recht uit omlaag. Naast haar lag de opgerolde hulplijn.

‘Mam!’ riep Ties. ‘Mijn vloer doet iets.’

Ze keek niet op. ‘Wat doet je vloer?’

Hij zocht een antwoord dat niet klonk alsof hij zijn potlood de schuld gaf. Terwijl hij nadacht, schoof de aanlegpaal langs zijn raam.

Niet hard. Een handbreed misschien. Maar de witte plek op de paal, waar hij vorige zomer zijn kwast tegenaan had gestoten, stond eerst bij de linkerkant van het kozijn. Nu zat hij bijna achter het midden.

Ties pakte het kozijn vast.

Ties kijkt vanuit zijn dakkamer naar de aanlegpaal terwijl zijn potlood bij de plint ligt.

‘Mam. De paal gaat opzij.’

Ze keek omhoog en toen langs het huis naar de paal. Haar gezicht veranderde. Ze greep de hendel van de lier en draaide hem de andere kant op om de steen weer te laten zakken.

Er klonk een korte klap onder het bordes. Niet de zware plons die Ties verwacht zou hebben van een steen die in het water viel, maar een doffe bons, vlak onder de oppervlakte. De ketting schoot een eindje door de lier. Renske deed een stap achteruit. Haar vrije hand greep de deurpost.

Ties voelde het huis onder zijn voeten bewegen. De lege lade schoof open en botste tegen zijn scheenbeen.

‘Naar beneden,’ zei zijn moeder.

Ze riep niet hard. Daardoor ging hij meteen.

Hij bukte onder de lage balk, draaide zich op het trapje en daalde achterwaarts af zoals hij altijd deed. Vanuit zijn kamer hoorde hij iets over de vloer rollen. Zijn potlood, dacht hij. Of de schroeven. Hij had de schroeven in het deksel van een koekblik gedaan. Dat deksel stond bij de rand van de tafel.

Hij wilde terugkijken.

‘Ties. Nu.’

Onderaan het korte trapje pakte hij de leuning van de gewone trap. Met de opgerolde hulplijn onder haar arm stapte zijn moeder vanaf het voorbordes over de loopplank naar de wal. Toen hij de keuken in kwam, knielde ze al aan de overkant. Tussen haar schoenen en de drempel zag hij een smalle donkere streep water die er eerst niet was geweest.

Hij liet het kastje, het potlood en het koekblik boven en liep naar haar toe.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.