← Het huis dat zijn grond verloor
Inhoudsopgave · hoofdstuk 2 van 22
  1. 1. De lade die niet dichtbleef
  2. 2. Los
  3. 3. Een ander uitzicht
  4. 4. Onder de brug
  5. 5. Fara’s boot
  6. 6. Eten aan de verkeerde kant
  7. 7. Niet door mijn wilgen
  8. 8. De baan door de weide
  9. 9. Alles aan één kant
  10. 10. De straat vaart mee
  11. 11. Achter de gesloten poort
  12. 12. Fara gaat
  13. 13. De hoek die bleef steken
  14. 14. Een kamer lager
  15. 15. Niet alleen mijn huis
  16. 16. Wat er weg mag
  17. 17. Zes ritten later
  18. 18. Recht genoeg
  19. 19. De vloer komt vrij
  20. 20. Bovenwater
  21. 21. De dingen die nog moeten
  22. 22. De eerste passagier

Hoofdstuk 2 van 22

Los

De loopplank lag nog op de drempel. Aan de walkant stak hij een heel eind over het plankier. Aan de huiskant werd dat eind korter.

Renske had één hand om de paal en de andere op de plank. Ze knielde, zodat ze Ties kon aankijken.

‘Recht naar mij toe. Niet naar het water kijken.’

Natuurlijk keek hij naar het water. Het kolkte tussen de plank en de buitenkant van het huis. Er dreef een blaadje in de spleet. Het schoot langs de deur en was weg.

‘Ik houd hem,’ zei zijn moeder.

Ties zette zijn voet op de plank. Het hout kraakte zoals het gisteren ook gekraakt had. Dat hielp. Hij deed nog een stap, pakte zijn moeders schouder en stond op de wal. Renske trok hem naast zich en haalde de plank naar zich toe.

Het huis schoof verder weg.

Eerst was het niet meer dan de ruimte waar een fiets in kon staan. Toen paste er een roeiboot tussen. Vanuit de keuken wiegde het rode theedoekje aan zijn haak. Ties had nog nooit van deze kant naar zijn eigen open deur gekeken.

Zijn moeder draaide de loopplank op zijn kant, legde hem neer en pakte de hulplijn. Het losse eind vloog over het water. Het tikte tegen de zwarte veerhouten rand en gleed eraf.

Te kort.

Ze haalde de lijn terug. Ties stak zijn hand uit om te helpen, maar zij drukte de rol tegen zijn borst.

‘Houd dit vast. Achter de paal blijven.’

Ze pakte haar telefoon uit haar jas. Haar vingers waren nat; twee keer gleed het scherm weg. Bij de derde keer lukte het.

‘Jet. Ons huis is los. Westkant van de kom. Nee, niemand binnen. Wij staan op de wal.’

Ze luisterde, keek naar de overloop en zei alleen: ‘Goed.’

Ties keek mee. Hun huis draaide langzaam. De voordeur kwam van hem af te staan. Hij zag nu het keukenraam, de pot met bieslook en het smalle zijraampje van de voorraadkast. Op het dak stond zijn dakkamer als een kleine tweede verdieping boven de gewone kap. Uit zijn open raam stak een hoekje van het gordijn.

‘Kunnen we hem niet terughalen?’

Renske stak haar telefoon weg. ‘Niet met die lijn van hier.’

Ze nam de rol weer van hem over en legde hem neer. Toen zette ze haar hand op zijn rug en liep met hem langs de kom. Ze liepen hard, maar niet harder dan het huis dreef. Er waren geen golven. Alleen het brede duwen van al het water dat door de overloop wilde.

Bij het huis van meneer Van Dijk vloog een raam open.

‘Renske!’

‘Haven is gebeld!’ riep ze. ‘Niemand erin!’

Hij bleef met zijn mond open achter het raam staan. Ties had hem nog nooit zo stil gezien. Gewoonlijk vroeg hij zelfs aan de vuilniswagen of die niet wat minder kon piepen.

De rand langs de overloop was lager dan het plankier bij hun huis. Ties kon de hele natte baan zien. In de zomer liep hij daar weleens langs de droge stenen naar de rivier. Dat mocht alleen wanneer het toegangshek openstond en er geen water over de stenen stroomde. Vandaag was het hek aan de walkant op slot. Zijn moeder bleef ervoor staan.

Beneden, voorbij de rietkant, bromde een motor.

Een kleine donkere veerhouten sleepboot kwam tegen de stroom in om de hoek. Jet stond achter het raam van het stuurhuis. Naast haar zag Ties een man in een oranje jas. Die hield een dikke tros klaar. Ze kwamen niet de overloop op. Jet hield de boot beneden, dwars op de richting waarin het huis straks zou komen.

‘Ze krijgen hem daar,’ zei Renske.

Ties knikte, maar het voelde niet alsof knikken ergens voor hielp.

Het huis bereikte de bovenkant van de schuine baan. Eén hoek bleef heel even achter. De gevel draaide een klein stukje. Ties zag het keukenraam scheef voor zich komen en kneep zijn handen samen.

Toen gleed het huis verder.

Het zakte niet plotseling. Het volgde het water langzaam omlaag, alsof het een helling af reed die hij zelf niet kon zien. De zwarte onderrand raakte een rietstengel. Die boog plat en kwam achter het huis weer overeind. Aan de andere kant schoof de sleepboot mee. De man in de oranje jas gooide zijn tros. Hij bleef aan een hoek van het lage balkonnetje hangen.

‘Dat is niet de goede plek,’ zei Ties.

Zijn moeder kneep even in zijn schouder. ‘Hij weet het.’

De man trok niet meteen. Hij haalde de lus terug, gooide opnieuw en kreeg hem nu om de dikke bevestigingsbalk onder het balkon. Jet gaf kort gas. De tros kwam strak te staan. De draaiing van het huis hield op.

Ties hoorde zijn eigen adem.

Het lege huis glijdt over de natte overloop terwijl Ties en zijn moeder veilig op de wal staan.

Bij de rivier liet de stroom het huis nog een eindje meelopen. Jet ging ervoor liggen en de man bracht een tweede lijn naar de andere hoek. Het leek van bovenaf allemaal erg klein. Een bootje, een man, hun huis. Toch schoof de voordeur nu niet verder van hen af. Het huis volgde de sleepboot naar rechts, richting de Benedenhaven.

Renske belde Elias. Deze keer kreeg ze het scherm in één keer open.

‘We zijn allebei op de wal,’ zei ze, voordat hij iets kon vragen. ‘Ja. Goed. Het huis is losgeraakt. Jet heeft het.’

Ties keek naar haar. Losgeraakt klonk net als een veter of het lipje van een rits. Aan de rivier ging hun huis langs de rij knotwilgen.

‘Het oog is gebroken,’ zei Renske. ‘De steen was net vrij en het huis begon al te schuiven. Ik wilde hem terug laten zakken. Toen brak het. De hulplijn lag nog op het bordes.’

Ze zweeg. Elias zei iets dat Ties niet kon verstaan.

‘Ja,’ zei ze. ‘Die had eerst vast gemoeten.’

Ze gaf de telefoon aan Ties.

‘Hé,’ zei zijn vader. Hij klonk alsof hij vlakbij stond. ‘Waar ben jij?’

‘Bij het hek van de overloop.’

‘Bij je moeder?’

‘Ja.’

‘Mooi. Blijf daar maar even. Ik kom naar de haven.’

Ties wilde zeggen dat zijn schroeven nog op tafel stonden en dat het raam boven open was. Dat leek ineens geen van beide iets voor aan de telefoon.

‘Je hoeft je fiets niet af te maken,’ zei hij.

‘Die fiets kan uitstekend op mij wachten.’

Zijn moeder nam de telefoon weer aan. Onder hen verdween het huis achter de bocht. Nog één keer zag Ties het gordijn uit zijn raam hangen. Toen was er alleen de sleepbootmotor, en daarna hoorde hij die ook minder goed.

Renske hurkte naast hem. Er zat een dikke natte streep op haar werkbroek.

‘We gaan erheen,’ zei ze.

Ties keek naar de lege plek boven aan de overloop. Geen voordeur, geen raam. Hij had geen jas aangetrokken. In zijn zak zat alleen het stukje schuurpapier dat hij in de dakkamer had gebruikt.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.