Hoofdstuk 16 van 22
Wat er weg mag
Het avondeten kwam deze keer uit een pan soep. Elias had de vermicelli gevonden en besloot dat die nu ook op moest. In Ties’ bord zat zoveel dat hij de bouillon alleen kon zien als hij de sliertjes opzij schoof.
‘Is het soep of een nat nest?’ vroeg hij.
‘Dat mag je zelf uitzoeken,’ zei zijn vader.
Ze aten vroeg. Buiten het raam stond het water stil tegen de grassprieten. Het huis rustte nog op zijn brede hoekrand. De nieuwe lijnen liepen verder uit elkaar dan in de haven. Ties had zijn moeder en Jet ze voor het eten samen zien nalopen. Op het buitenpad brandde een lampje bij de kist met gereedschap.
Binnen stond de kast in het midden en lagen zijn boeken laag bij de vloer. Zijn mok stond ertussen. Het was inmiddels moeilijk om nog iets te zoeken op de plek waar het gisteren lag. Dat had ook één voordeel: niemand kon meer tegen hem zeggen dat alles altijd op dezelfde plek stond.
Na de soep zette Jet Nelle met haar lage boot bij het voorbordes af. Nelle ging niet zitten. Ze had een klein stuk van de ondergrond uitgekrabd en aan Jet laten zien. Langs de buitenkant van de ophoging zat een hogere kleirichel onder de losse aarde. De lagere baan liep daar niet breed genoeg langs om met het hele huis voorbij te komen.
‘Als we er een echte vlakke baan door maken, moeten we meer weghalen,’ zei ze.
Renske schoof de lege borden bij elkaar. ‘Hoeveel ruimte heb je nodig om de jonge rij te ontzien?’
Nelle legde twee vingers op de kaart. Ze wees de rechte baan aan die ze met Jet had bekeken. Niet naast de rug kronkelen, maar door een deel van de recente ophoging heen. Over de volle breedte die ze vanmorgen hadden afgesproken.
Ties keek naar de korte streepjes op de kaart. Het vraagteken stond er nog. Nelle drukte er niet met haar vinger op alsof het iemand zijn schuld was dat het er stond.
‘Met scheppen alleen zijn we daar lang mee bezig,’ zei Renske.
‘Mijn kleine machine kan vanaf het droge pad bij het grootste stuk. De hoeken niet. En we moeten weten waar de grond naartoe gaat.’
Ze spraken over een plek achter de oude wilgen, over rijplaten en over wie er zaterdag kon helpen. Elias belde iemand die met hem in de werkplaats werkte. Hij vroeg of die de eerste uren zonder hem kon. Ties hoorde aan zijn korte antwoorden dat hij niet zomaar zijn eigen hele dag kon wegstrepen.
Nelle pakte haar bril, die aan het touwtje op haar borst hing, en keek nog eens naar de kaart.
‘Ik wil die grond later terug waar hij nodig is. Niet een berg waar mijn buren voortaan tegenaan kijken.’
‘Dat zetten we erbij,’ zei Renske.
Ze schreef het op de achterkant van het karton. Deze keer legde ze het daarna midden op tafel, zodat niemand het per ongeluk mee kon nemen.
Ties schoof een lepel naar de rand van zijn bord. ‘Is het dan veel duurder?’
Zijn moeder keek op. ‘Meer werk, ja. Dat maakt uit.’
‘Kunnen we het nog doen?’
Nelle trok haar jas recht. Ze liep naar buiten zodat het gezin even alleen kon praten. Ties zag haar op het bordes blijven staan, met haar hand aan de reling.
Renske vouwde haar handen op tafel. ‘We hebben gezegd wat wij zelf kunnen doen en wat we moeten laten doen. Dit past daar nog bij. Ik spreek morgenochtend met de anderen af wat het kost. Als de bodem weer anders blijkt dan gedacht, gaan we niet steeds een nieuwe weide proberen.’
‘Dan toch de brug?’
‘Of langer hier blijven en ander vervoer regelen. Die mogelijkheden verdwijnen niet.’
Ties draaide de lepel om. Hij had gisteren bij die woorden meteen alleen zijn kamertje gezien, open en zonder dak. Nu zag hij ook zijn vader die opnieuw iemand moest bellen, Nelle die haar grond wilde gebruiken en Fara die niet wist of haar pen op tijd zou passen.
‘Ik wil het nog proberen,’ zei hij.
‘Dat willen wij ook,’ zei Elias. ‘Maar je hoeft niet te zeggen dat je er geen boeken meer in zult zetten om het goed te maken.’
Ties keek naar hem. Dat had hij nog niet gezegd. Hij had er wel aan gedacht.
Zijn moeder wees naar de plank met de dozen. ‘Deze zijn voor onderweg. Thuis richt jij je kamer gewoon in. We moeten alleen kunnen lopen en bij het raam blijven komen.’
Ties pakte een leeg stuk karton van de poststapel. Met Renskes potlood tekende hij het schuine dak van zijn kamer. De eerste lijn werd veel te schuin. Hij draaide het karton om en begon opnieuw. Zijn tafel stond nu op een plek waar je bijna altijd je hoofd stootte als je opstond. Het ladekastje nam meer ruimte in dan hij gebruikte.
‘Ik zou ook een plank hier kunnen maken,’ zei hij. ‘Breder aan deze kant. Zonder die grote la eronder.’
Elias schoof zijn stoel een stukje naar hem toe. Hij pakte niet meteen het potlood.
‘Hoe wil je hem vastmaken?’
Ties tekende een steun. Zijn vader wees naar de dakbalk. Ties schudde zijn hoofd; dan kon de deur niet ver genoeg open. Ze bogen allebei over de tekening. Een tijdje ging het over zijn kamer alsof die gewoon boven hen lag, wat ook zo was.
Toen zijn moeder Nelle weer binnenriep, schoof Ties zijn tekening apart. De routekaart kreeg de tafel terug. Nelle en Renske zetten hun namen onder de werkafspraken. Geen groot papier, gewoon de achterkant van het karton en een bericht dat ze elkaar daarna stuurden.
Later bracht Elias de borden naar het aanrecht. Ties droogde de lepels. Buiten was het donker geworden. Hij kon de peilstok zien in de lichtbundel van de lamp. Het water stond nog bij dezelfde streep als vanmiddag.
Hij legde zijn kamertekening boven in de lade. De potloden bleven beneden in de mok. Toen ging hij op zijn bed zitten en trok zijn natte sok uit. Er zat een lange dunne afdruk van het wilgenblaadje op zijn enkel.