← Het huis dat zijn grond verloor
Inhoudsopgave · hoofdstuk 3 van 22
  1. 1. De lade die niet dichtbleef
  2. 2. Los
  3. 3. Een ander uitzicht
  4. 4. Onder de brug
  5. 5. Fara’s boot
  6. 6. Eten aan de verkeerde kant
  7. 7. Niet door mijn wilgen
  8. 8. De baan door de weide
  9. 9. Alles aan één kant
  10. 10. De straat vaart mee
  11. 11. Achter de gesloten poort
  12. 12. Fara gaat
  13. 13. De hoek die bleef steken
  14. 14. Een kamer lager
  15. 15. Niet alleen mijn huis
  16. 16. Wat er weg mag
  17. 17. Zes ritten later
  18. 18. Recht genoeg
  19. 19. De vloer komt vrij
  20. 20. Bovenwater
  21. 21. De dingen die nog moeten
  22. 22. De eerste passagier

Hoofdstuk 3 van 22

Een ander uitzicht

Vanaf de brug kon Ties hun huis al zien. Het lag aan de lage kade van de Benedenhaven, tussen een platte werkponton en een stapel zwarte buizen. De ponton hoorde daar. Hun huis niet.

Hij bleef staan. Onder hem ging het water door de smalle retourvaart naar de sluis. Aan de bovenkant van de brug stonden twee jongens met een hengel. Ze hadden hun dobber binnengehaald en keken allebei naar de haven.

‘Is dat van jullie?’ vroeg de kleinste.

Ties liep door.

Bij de kade stond Fara. Ze had één handschoen aan en hield de andere tussen haar tanden terwijl ze de veter van haar schoen vastmaakte. Toen ze Ties zag, trok ze de handschoen uit haar mond.

‘Ik dacht eerst dat het de werkkeet was,’ zei ze.

Ze keek naar Renske en daarna naar zijn blote armen. Zonder verder iets te vragen deed ze haar open bordeauxrode vest uit. Ze droeg er een dikke gestreepte trui onder.

‘Hier. Jij bent aan het wandelen gegaan zonder je kleding.’

Ties trok het vest aan. De mouwen eindigden boven zijn polsen, maar hij kreeg het meteen warmer.

Jet stond op de platte werkponton naast haar sleepboot. Ze praatte met Renske en de man in de oranje jas. Bram, hoorde Ties zijn moeder zeggen. Zijn laarzen maakten donkere afdrukken op de planken. Er lagen nu twee dikke lijnen van hun huis naar afzonderlijke palen aan de kade. Aan de andere kant stond een tijdelijke ankerlijn schuin het water in.

‘Voorlopig blijft hij hier,’ zei Jet. ‘Eerst kijken we binnen.’

Ze legde een brede loopplank neer en zette die vast. Renske ging met haar mee. Ties wilde volgen, maar Jet wees naar de kade.

‘Nog niet. Jij en Fara blijven even hier.’

Fara ging op een bolder zitten. Ties bleef staan. Achter het keukenraam zag hij zijn moeder de tafel vastpakken. Jet liep naar de achterdeur. Ze verdwenen uit beeld. Er verstreken drie lange minuten waarin er niets gebeurde wat Ties kon zien.

‘Heb je je kamer al af?’ vroeg Fara.

‘Bijna.’

‘Mooi. Dan kan hij zo op reis.’

Ties keek haar aan. Haar mond trok scheef.

‘Nee, sorry. Dat was niet handig.’

‘Hij was niet af.’

Fara stapte van de bolder en ging op een laag muurtje verderop op de kade zitten. Ties ging naast haar zitten. Zijn voeten kwamen net niet bij de grond. Fara’s wel. Ze schoof een stukje naar achteren, zodat haar voeten ook los hingen.

Aan de overkant van de haven stond de oude veerloods. Daar kwam hij vaak met haar. Sinds het veer niet meer voer, bewaarde haar tante er gereedschap en twee roeiboten. Eén daarvan was nu van Fara, als ze tenminste de laatste reparaties afkreeg. Vorige week hadden ze samen bijna een hele middag oude verf van een bankje gekrabd. De verf had onder haar nagels gezeten tot na het eten.

‘Tante is de roeipen aan het maken,’ zei ze. ‘Als die goed is, hoeven we alleen het andere bankje nog vast te zetten.’

‘Vandaag?’

‘Vrijdag. Vandaag moet de lijm drogen. Oma komt zaterdag.’

Ze zei het alsof hij dat moest weten. Dat wist hij ook. Ze had het minstens vier keer verteld.

Renske kwam bij de deur staan. ‘Jullie mogen komen. Rustig over de plank.’

Binnen rook het naar koffie, nat hout en de bieslook die uit zijn pot was gevallen. Er lag een stoel op zijn zij. Het theedoekje hing nog aan de haak. Het leek Ties behoorlijk brutaal dat er zoveel gewoon was gebleven.

Jet liet hem zien waar hij wel en niet mocht komen. De achterste deur bleef dicht totdat Bram de lage reling had nagekeken. Aan de voorzijde mocht het gezin de kamer en keuken gebruiken. De tijdelijke lijnen waren voor dit water en deze ligplaats voldoende. Als er iets veranderde, moest Renske haar bellen.

‘Geen tochtjes met het huis zonder mij,’ zei ze tegen Ties.

Hij wist niet of het een grapje was. Jet wachtte zijn knik af en liep weer naar buiten.

Fara pakte de bieslookpot op. De aarde zat in één kluit aan de wortels. Ze zette hem terug op het schoteltje en veegde met haar gehandschoende hand de losse aarde bij elkaar.

‘Die heeft het overleefd.’

Ties zette de stoel overeind. Het tafelblad was nat van het omgevallen waterglas. Hij haalde het theedoekje van de haak. Met de eerste veeg schoof hij een paar natte broodkruimels over de rand. Uit gewoonte bukte hij meteen om ze op te rapen.

Toen begon hij te lachen.

Fara keek op. ‘Wat?’

‘Het huis is de rivier af gevaren. En ik ben kruimels aan het oprapen.’

Ze keek naar de kluit in haar handschoen. ‘Ik heb een plant gered waar niemand iets van eet behalve jij.’

‘Mijn vader eet hem ook.’

‘Dan zijn jullie allebei geholpen.’

Elias kwam met zijn fiets aan de hand over de kade. Aan het stuur hingen twee boodschappentassen. Zijn werktas bungelde tegen zijn heup. Er stak een fietspomp uit.

Hij zette de fiets tegen een bolder en liep de plank over. Hij legde eerst zijn hand in Ties’ nek, en daarna trok hij hem met beide armen tegen zich aan. Ties liet het gebeuren. Zijn vader rook naar fietsvet.

In het veilig afgemeerde huis omhelst Elias Ties bij de keuken, met Fara en Renske erbij.

‘Daar ben je,’ zei Elias.

Renske stond bij het aanrecht. Elias keek naar haar. Ze knikte even, en hij zette de tassen op tafel.

‘Ik heb brood en kaas. En blijkbaar een fietspomp.’

Hij keek naar Ties’ blote polsen onder het te korte vest.

‘We gaan eerst even iets voor jou zoeken.’

Zijn vader liep naar de gangkast en haalde Ties’ oranje trui eruit. Op weg terug keek hij onder de trap, waar Ties zijn latten had neergelegd. Hij bukte en hield de oplader omhoog die hij zelf nooit kon vinden. Fara stak haar hand uit voor haar vest. Ties trok het uit en gaf het terug.

Na de boterhammen ging Renske met Jet naar buiten. Elias legde zijn werktas naast de gangkast en zocht de koffiefilters. Ties mocht zijn raam boven dichtdoen. Hij liep de trap op, langzaam omdat hij wilde weten of die nog precies hetzelfde voelde.

In zijn kamer lagen de schroeven nog in het koekblikdeksel. Het potlood lag bij de plint. Alleen de lade stond helemaal open.

Hij sloot het raam. Aan de andere kant van het glas zag hij nu de veerloods, de buizen en de kapotte klok op het havenkantoor. Hij kon zelfs lezen hoe laat de klok stil was blijven staan.

Tien over twee. Terwijl het nog maar net middag was.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.