Hoofdstuk 17 van 22
Zes ritten later
Op zaterdag werd Ties wakker van een motor die niet bij hun huis hoorde. Hij schoof het gordijn opzij. Buiten stond een kleine graafmachine op het droge pad, met Nelle ernaast. Het apparaat was kleiner dan de machines die hij bij de nieuwe kade had gezien. De bak leek ongeveer groot genoeg om zijn hele voorraadlatten tegelijk te pakken.
Nelle keek omhoog. ‘Je hebt nog tijd om te ontbijten!’ riep ze.
Hij liet het gordijn vallen en keek naar de klok. Het was vroeger dan hij gedacht had. Beneden rook hij geroosterd brood.
Renske zat aan de tafel met haar telefoon en een kop koffie zonder groene streep. De oude mok stond nog tussen zijn boeken. Ze schoof hem een bord toe. Elias was al buiten bij Bram. Jet kwam later terug om te varen; eerst moest de baan vlak zijn.
‘Mag ik iets doen?’ vroeg Ties.
‘Eerst eten. Daarna vraag je Nelle waar je kunt helpen. Zij heeft net uitgelegd waar de grond heen moet.’
Hij at sneller dan nodig was. Er bleef een korst over die net iets te zwart was. Die stopte hij uiteindelijk toch in zijn mond, omdat hij zijn moeder geen reden wilde geven hem nog langer aan tafel te houden. Daarna bracht Bram hem met Jets boot naar het vaste buitenpad.
Buiten lag er een breed spoor van platen langs de rand. De machine kon daarover bij de ophoging komen zonder de jonge rij in te rijden. Een man die Ties niet kende, zat achter de hendels. Nelle stond op een vaste plek waar hij haar kon zien. Als zij haar hand opstak, hield hij op.
De eerste bak grond kwam omhoog. Er hingen wortels en lange slierten gras onder. Een dikke kluit viel terug en spatte in het ondiepe water. De rest werd op de afgesproken plek achter de oude wilgen neergelegd.
Het zag er snel uit.
Na de derde bak begreep Ties dat het ook langzaam kon zijn. De rand waar de machine niet bij kon, bleef staan. De bodem onder een losgeraakte plak gras was hoger dan onder de volgende. Bram en Elias werkten met scheppen langs de kant. Nelle liet de bestuurder telkens op een andere plek stoppen.
De machine maakte geen smal gootje. De hele rechte baan tussen de gele lappen moest vrij blijven, ook waar de machinebak minder ver kwam.
Ties mocht met een kleine kruiwagen de lichte takken en losse graspakken naar een hoek bij het hek brengen. Geen grond uit het water halen. Geen spullen bij de rijdende machine pakken. Hij was daar minder blij mee dan hij zei, maar na de tweede rit voelde hij hoe zwaar nat gras eigenlijk was.
Bij de vierde rit raakte zijn wiel vast in een modderspoor. Hij duwde harder. Het wiel draaide niet. De handvatten kwamen omhoog en het graspak schoof naar één kant.
Elias zette zijn schep neer en liep naar hem toe. Hij hield de kruiwagen vast terwijl Ties het zwaarste pak eraf haalde. Daarna konden ze hem samen terug op het vlakke pad zetten.
‘Niet alles tegelijk,’ zei zijn vader.
Ties wilde zeggen dat dat wel degelijk had gepast. Alleen niet in dit spoor. Hij legde de helft van het gras terug. De andere helft bleef voor zijn volgende rit op het pad liggen.

Na zes ritten ging hij op de lege kruiwagenrand zitten. Er hing een sliert modder aan zijn broek, precies waar hij met zijn hand naar steun had gezocht. Verderop had Nelle haar bril opgezet. Ze hield de meetstok tegen een vlak gemaakte plek en keek naar de stand van het water.
Er lag nog een heel stuk grond.
‘Na zes kruiwagens ben ik dus nog niet klaar,’ zei Ties toen Renske langskwam.
Ze keek naar de hoek waar hij zijn ladingen had neergelegd. ‘Jouw deel wel bijna. Dat scheelt ons straks weer opruimen.’
Hij stond op. Met dat antwoord kon hij beter verder dan met de gedachte aan de hele ophoging.
Bij de jonge rij lag een stapel lege beschermkokers. Ties hielp Nelle ze één voor één van het pad te halen. Eén dun boompje stond scheef. Onder de stam zat de grond los, waar een plaat was verschoven. Nelle hield hem even recht en liet los. Hij zakte terug.
‘Die moeten we opnieuw zetten,’ zei ze.
‘Hij is niet gebroken.’
‘Nee. Maar zijn wortels hebben geen houvast meer. Ik kijk straks of ik hem kan behouden.’
Renske kwam erbij staan. Ze maakte een notitie op haar telefoon. Ties vond het prettig dat ze niet zei dat het maar één boompje was.
Tegen de tijd dat Jet terugkwam, had de machine het grootste deel gedaan. De motor werd uitgezet. Er kwam ineens veel ruimte voor andere geluiden: schoenen die door modder gingen, een schep tegen een rand, een kraai bij het pad. De man stapte uit en trok zijn handschoenen uit alsof zijn vingers ook even moesten uitrusten.
Nelle, Jet en Renske liepen de volle breedte langs. Ze bleven bij de laatste richel staan. Elias haalde hem met de schep weg. Daarna legde Bram de lange lat neer en verplaatste hem een stuk, zodat ook het deel achter de eerste baan werd gecontroleerd.
Ties keek naar de peilstok. De waterlijn stond nog steeds waar hij vrijdagmiddag had gestaan. Er was geen nieuwe hoge streep bijgekomen. Alleen de grond onder het water zag er anders uit. Minder bobbels, minder gras dat de vorm verborg.
Vanuit de haven kwam Fara over het pad. Ze had een kleine tas om en liep zonder te haasten. Bij het hek bleef ze staan en wachtte tot Nelle haar zag.
Ties zette zijn kruiwagen opzij. Hij liep haar tegemoet, maar stopte achter de platen waar Nelle hem wilde hebben.
‘En?’ riep hij.
Fara hield één duim omhoog.
Deze keer hoefde hij niet te vragen waarover.