Hoofdstuk 14 van 22
Een kamer lager
Het geluid was van de stoel geweest.
Niet een stoel die was omgevallen. Het ene achterpootje van de vastgezette keukenstoel had tegen de rand van een vloerplank getikt toen het huis een beetje anders kwam te liggen. Bram wees het Ties later aan. Het was een klein donker plekje in het hout, niet groter dan een vingernagel.
Ties voelde zich opgelucht en een beetje boos tegelijk. Hij had buiten gestaan met dat geluid in zijn hoofd, en binnen was het gewoon een stoel geweest die ergens tegenaan tikte.
Hij mocht pas naar binnen nadat Renske en Bram er hadden rondgekeken. De brede rand rustte rustig op de zachte bodem. De lijnen hielden het huis op zijn plek. Er lag geen loopplank van de vaste steiger tot aan de deur; het huis lag daar inmiddels te ver vandaan. Daarom bracht Jet hen met de kleine werkboot langs de veilige kant. Ze stapten één voor één op het lage bordes, terwijl Bram de boot vasthield.
Binnen was alles nog op de plek. De vastgezette kast stond in het midden. De kapotte mok stond boven in zijn doos. De bieslook had eindelijk één verplaatsing meegemaakt zonder uit zijn pot te vallen.
Renske sloeg haar mouwen om. ‘We brengen een deel van de boeken naar beneden. Eerst in kleine stapels. Niet met die grote dozen op het trapje.’
Ties stond onder aan de trap. ‘Moeten ze allemaal?’
‘Nee. We willen wat minder hoog aan de rechterkant. Het helpt voor de scheefstand als we straks weer bewegen.’
Hij keek naar de kast, alsof die iets kon zeggen over hoe veel er al verplaatst was.
‘Die staat al in het midden,’ zei zijn moeder. ‘Dit is nog wat anders.’
Boven in de dakkamer trok Ties een van de dozen naar zich toe en haalde er de dikke dierenatlas uit. Er stonden veel foto’s in van kleine beesten die hij liever niet onder zijn bed zag. Onder de atlas lag een stripboek dat hij kwijt was geweest. Het was tussen de dierenboeken in deze doos terechtgekomen.
Zijn moeder wachtte onderaan het korte dakkamertrapje. Ties gaf haar een klein stapeltje, met zijn hand op de bovenkant zodat de boeken niet losgleden. Zij droeg het naar beneden en kwam terug voor de volgende.
Zo ging het minder snel dan alles in een doos stoppen. Ties vond het toch prettiger. Hij kon zien waar elk boek naartoe ging. Als iemand met een dichtgeplakte doos wegliep, kwam die meestal maanden later onder iets anders vandaan.
Toen Renske de derde stapel aannam, hield hij het onderste boek nog even vast.
‘Ze mogen wel weer terug, toch?’
Ze keek omhoog. Het daglicht uit zijn raam viel langs haar gezicht.
‘Ja.’
‘Want ik heb net die plank gemaakt.’
‘Dat weet ik.’
Hij liet het boek los. Zijn moeder bleef nog een tel staan.
‘Boeken mogen boven staan, Ties. Wij hebben er zelf jarenlang dozen neergezet. Alleen gaat ons huis normaal niet door een ondiepe weide. Hiervoor leggen we dingen even anders.’
‘Het is niet door mijn kamer gekomen.’
‘Nee.’ Ze antwoordde meteen. ‘Die ketting ging niet kapot door jouw kamer. De steen was opgetild en de verbinding was versleten. En ik had die extra lijn moeten vastmaken.’
Ze daalde met de boeken af. Ties hoorde hoe ze de stapel beneden voorzichtig neerzette.
Hij ging op zijn bed zitten. Naast hem stond de kartonnen doos met de mok erin. Op de buitenkant had hij zaterdag met grote letters zijn naam geschreven. Niet omdat iemand die doos zou meenemen, maar omdat het fijn was geweest dat alles wat erin zat bij hem hoorde.
Hij pakte de mok uit de doos. Er lagen nog drie potloden naast, die hij vergeten was in de lade te doen. Hij zette ze erin. De gebroken rand zat aan de achterkant. Van voren zag de mok er nog heel uit.
Vanaf het bed kon hij over de lage weiderand kijken. Nelle stond met Jet bij de kaart. Zijn vader kwam het pad op met een tas die tegen zijn been slingerde. Fara was nergens te zien.
Ties zette de mok terug in de doos en nam hem zelf mee naar beneden.
In de woonkamer lagen zijn boeken op een lage vrije plank, dicht bij de kast. Er stonden nog geen andere spullen voor. Renske had er een band omheen gedaan zodat ze niet konden schuiven. Ze hield het losse eind op.
‘Hier blijven ze tot we terug zijn.’
Hij zette zijn mok op een laag tafeltje. ‘En deze ook maar.’
Renske ging door haar knieën om de laatste plank vast te zetten. Haar potlood gleed uit haar haar en viel op de vloer. Ties pakte het op. Het rolde niet weg, omdat het tegen zijn schoen terechtkwam.
Hij gaf het aan haar. Ze stak het niet terug in haar haar, maar achter haar oor. Daar zat al een ander potlood.
‘Je hebt er twee,’ zei hij.
Ze voelde, trok het eerste eruit en keek ernaar. ‘Dat verklaart een hoop.’
Elias stak zijn hoofd om de deur. Hij had een warme papieren zak in zijn hand. ‘Ik heb iets wat niet verhuisd hoeft te worden als we het opeten.’
Er zaten gevulde broodjes in. Bram pakte er één met een servetje omheen, zodat zijn handen geen donkere vlek op het deeg maakten. Ze aten staand in de woonkamer. De kast nam de beste plek in en niemand wilde haar opnieuw verplaatsen.
Ties ging met zijn rug tegen de lege keukenwand staan. Aan de andere kant van de vloer, buiten het zicht, lag de hoek stil op de bodem. Hij voelde hem niet. Hij voelde alleen de warme korst tussen zijn vingers.
‘Mag ik straks met papa even naar de loods?’ vroeg hij.
Renske knikte. ‘Als jullie elkaar niet kwijtraken tussen al die spullen.’
Elias keek naar zijn fietspomp, die nog steeds uit zijn werktas stak.
‘Daar ben ik niet heel sterk in,’ zei hij.