Hoofdstuk 5 van 22
Fara’s boot
Er hing een schoolstoel aan het plafond van de veerloods. Ties wist nog steeds niet waarom. Elke keer dat hij ernaar vroeg, gaf Fara’s tante een ander antwoord. De vorige keer was het om te voorkomen dat iemand erop ging zitten. Nu zei ze dat ze op die manier beter onder de poten kon vegen.
Tante Suze stond bij de werkbank met een ijzeren pen in een bankschroef. Fara hield er een lamp naast. De pen was klein genoeg om kwijt te raken tussen de grote schaven en klemmen. Toch deden ze alsof het het belangrijkste ding in de loods was.
Ties bleef bij de deur staan.
‘Ik kom niks storen.’
‘Dan ben je hier de eerste vandaag,’ zei Suze. Ze zette de vijl neer. ‘Hoe is het met de keuken op doorreis?’
‘Hij ligt vast.’
‘Goed. En jij?’
Dat vond Ties een onhandige vraag. Hij keek naar de roeiboot. Die stond op twee brede schragen, met de witte onderkant naar beneden. Aan één kant was de groene verf al droog. De andere kant had nog lichte plekken waar Fara geschuurd had. Hij wees ernaar.
‘Die moet nog.’
‘Dat weet ik,’ zei Fara.
Suze maakte de pen los en gaf hem aan haar. ‘Probeer deze nu eens.’
Fara liep naar de boot en zette de pen in de houder voor de roeiriem. Ze draaide hem heen en weer. Er zat geen piep meer in, alleen een zacht schurend geluid. Suze bukte erbij en keek langs de rand.
‘Morgen nog een keer met de riem erin. Eerst moet het nieuwe hout bij dat bankje goed vastzitten.’
Ze wees naar de klemmen. Fara ging op haar tenen staan om over de rand te kijken, hoewel ze precies wist wat erachter zat.
Ties had niet verwacht dat de boot al zo ver zou zijn. Vorige week had er een gat onder het voorste bankje gezeten. Hij had erdoor naar zijn schoenen kunnen kijken. Nu lag daar een nette houten plaat. De schroefkoppen waren allemaal dezelfde kant op gedraaid. Dat was echt iets voor Fara. Zij kon vijf minuten bezig zijn met een schroef die al vast zat, alleen omdat het streepje scheef stond.
‘Ik heb nog een vraag,’ zei hij.
Fara keek op. ‘Ik dacht al.’
‘Ga je morgen mee naar de Buitenweide? We moeten kijken of het huis erdoor kan.’
‘In de ochtend?’
‘Weet ik niet. Mijn moeder gaat Nelle vragen.’
Fara streek met haar vingers langs de bootrand. Er zat nog stof op. ‘Ik kan tot twee uur. Dan wil ik hier zijn.’
‘Kun je dat bankje niet zaterdag doen?’
‘Oma komt zaterdag.’
‘Maar die kan toch ook in de middag?’
Fara draaide zich naar hem toe. Ze had haar lamp nog in haar hand. Het licht scheen als een wit rondje op zijn trui.
‘Ties. Ik wil morgen met Suze proberen of alles goed zit. Zonder oma erin. En als er dan iets niet goed is, hebben we nog tijd.’
Hij knikte. Dat was logisch. Toch had hij liever gehad dat ze meteen ja had gezegd.
Suze legde de vijl terug in een la. ‘Houd jij deze rand even vast, reiziger. Dan kan Fara de klem onder het bankje controleren.’
Ties hield de boot met twee handen vast. Het was een gewone boot, geen veerhout. Als je er te veel in stopte, ging de rand lager in het water. Als je een gat in de bodem maakte, kwam het water naar binnen. Hij had nooit nagedacht over hoe bijzonder gewoon hout eigenlijk was totdat Fara er vorig jaar bijna een hele zomer aan had gewerkt.
Zij verdween tot haar middel in de boot. Alleen haar blauwe broek en de zolen van haar schoenen bleven buiten. Er klonk gerommel.
‘Waar is die vleugelmoer?’ vroeg ze.
‘Bij je linkerhand,’ zei Suze.
‘Dit is mijn linkerhand.’
‘Dan bij je andere linkerhand.’
Ties voelde de boot een beetje bewegen. Hij hield hem steviger vast. Een minuut later kwam Fara met een rood gezicht boven. Er zat een donkere veeg over haar wang.

‘Hij zit goed.’
‘Prachtig,’ zei Suze. ‘Dan gaan we hem niet voor de zekerheid nog drie keer losmaken.’
Ze gaf Fara een doek. Fara veegde over de verkeerde wang. Ties wees naar de veeg. Ze wreef opnieuw, keek naar de doek en legde hem weg.
Op de stoel bij de deur lag een opgevouwen deken. Erboven hing een jas aan de kapstok. Fara pakte de deken en legde hem op het achterste bankje, tussen de klemmen.
‘Voor oma,’ zei ze, toen ze Ties zag kijken. ‘Dat bankje is anders koud.’
‘Er moet toch een reddingsvest over?’
‘Dat zit aan haar. Niet onder haar.’
Ze streek de deken glad. Ties begreep ineens waarom ze niet tot zaterdag wilde wachten. Fara had dit al in haar hoofd zitten. Niet alleen een boot die het deed, maar haar oma op dat bankje, op die deken, kijkend naar de haven vanaf het water.
Suze ging koffie halen in het hok achterin. Fara pakte een klein kwastje en werkte de rand van een lichte plek bij. Ties hield de boot nog steeds vast.
‘Je mag loslaten,’ zei ze.
Hij deed zijn handen weg. De boot bleef gewoon op zijn schragen staan.
Door de open loodsdeur zag hij een stukje van zijn eigen keukenraam. Renske stond erachter met haar telefoon aan haar oor. Ze liep heen en weer tussen het aanrecht en de tafel. Hij kon niet horen wat ze zei.
‘Wat als die weide niet kan?’ vroeg Fara.
‘Dan moet mijn kamer eraf.’
‘Dat is één mogelijkheid, toch?’
‘Er staat nog allemaal spul van mij in.’
Fara draaide het kwastje tussen haar vingers. ‘Dan moet dat er eerst uit. Ook als je de kamer houdt.’
Ties zei niets. Hij had haar niet om een oplossing gevraagd. Al wist hij niet goed waar hij haar dan wel om had gevraagd.
Ze zette het kwastje in een pot. ‘Morgen tot twee. Als je moeder eerder wil weten waar ik ben: hier of thuis. Niet op die weide aan het logeren.’
Ties trok de loodsdeur een stukje verder open om weg te gaan. Boven hem draaide de schoolstoel heel langzaam aan zijn haak.
‘Denk aan je hoofd,’ zei Fara.
Hij bukte te laat en stootte met zijn kruin tegen een houten poot.