Hoofdstuk 15 van 22
Niet alleen mijn huis
In de veerloods stond de roeiboot nog op de schragen. Ties zag het al voordat hij binnen was. Het bankje zat vast en de klemmen lagen op de werkbank, maar er hing geen boot onder de takel bij het water. Fara zat op een kruk met een roeiriem dwars over haar knieën.
Suze hield de metalen pen tegen het licht. Ze draaide hem langzaam en legde hem toen op een vlak stuk van de werkbank. Er zat een klein knikje in.
‘Nu zie je het wel,’ zei ze.
Fara pakte de pen niet aan. ‘Maar toen ik hem met mijn hand draaide niet.’
‘Met je hand zet je er niet hetzelfde gewicht op als met die hele riem.’
Elias bleef bij de deur staan. ‘We komen even kijken. Niet bemoeien.’
Suze wees naar hem. ‘Dat zal moeilijk voor je worden.’
Ties liep naar Fara. Hij had bedacht dat hij eerst iets over het huis zou zeggen en dan over vanochtend. Nu hij haar met die riem zag, kwam hij daar niet aan toe.
‘Hij zit scheef?’
Ze keek op. ‘De pen. Niet de boot.’
Hij knikte. Achter haar lag de opgevouwen deken voor oma op de kruk. Niemand had hem opgeborgen. Dat vond Ties een goed teken, al wist hij niet of Fara er ook zo naar keek.
Suze zette de pen terug in de bankschroef. Ze zou kijken of het knikje zich liet herstellen. Zo niet, dan moest er een andere komen. Fara tilde de riem van haar knieën.
‘Wil jij hem even houden?’ vroeg ze aan Ties.
Hij pakte het midden beet. Zij schoof zijn handen verder uit elkaar. ‘Zo. Anders botst hij tegen de rand als ik erlangs ga.’
Hij hield hem zoals ze zei. Ze verdween achter de boot om het andere houdertje schoon te maken. Ties stond met de riem dwars voor zijn buik. Het blad was breder dan zijn hand. Er zat een licht plekje op waar de verf was afgesleten. Hij was even geneigd het met zijn duim glad te wrijven, tot hij bedacht dat hij niets aan die boot hoefde te verbeteren.

‘Ons huis ligt op de bodem,’ zei hij.
Fara kwam weer boven de rand uit. ‘Helemaal?’
‘Eén hoek. Jet is meteen gestopt.’
‘Zit er iets stuk?’
‘Nee. Het was de stoel die tikte. Dacht ik eerst niet.’
Hij vertelde haar over het geluid, het warme bekertje thee en de meetstok die telkens naast dezelfde hoek in het water ging. Fara luisterde zonder haar werk neer te leggen. Ze veegde de binnenkant van de houder droog en keek ernaar. Toen wees ze naar een stevige balk naast hem.
‘Je kunt hem daar neerzetten. Met het blad naar beneden.’
Ties zette hem tegen een stevige balk. Hij hield hem nog even vast totdat hij zeker wist dat hij niet zou wegglijden.
Bij de werkbank klonk een korte tik. Suze haalde de pen los. Elias boog erover, met zijn handen nadrukkelijk achter zijn rug.
‘Je mag kijken,’ zei Suze. ‘Ademen kan ook.’
Zijn vader lachte en haalde zijn handen tevoorschijn. Ze legden de pen opnieuw vlak. Het knikje was minder, maar niet weg. Suze streek met haar vinger langs het metaal en schudde haar hoofd.
‘Ik wil een andere gebruiken.’
Fara keek naar de klok boven de deur. Die liep wel. Het was later dan Ties gedacht had.
‘Dan kunnen we vandaag niet meer proberen.’
‘Waarschijnlijk niet,’ zei Suze. ‘Ik bel even wie er nog zo’n maat heeft.’
Ze liep naar het hok achterin. Fara trok haar kruk dichter naar de boot en ging zitten. Haar handen verdwenen tussen haar knieën.
Ties bleef staan. Hij had ineens niets tegen zijn vader te zeggen en niets nuttigs om vast te houden.
‘Wat zei je oma?’ vroeg hij.
‘Dat ze om vier uur komt. Morgen. Ze neemt cake mee die niet uit elkaar valt als je ernaar kijkt.’
‘Dat is handig in een boot.’
‘Dat zei ik ook.’
Ze glimlachte even, maar daarna keek ze weer naar de lege houder. Ties ging op de rand van de lage werkbank zitten. Zijn vader was naar buiten gelopen en stond daar met iemand te praten. In het hok hoorde hij Suze een maat noemen en die daarna nog een keer herhalen.
‘Het had ook prima gekund zonder dat ik erbij was,’ zei Ties.
Fara draaide haar hoofd.
‘Bij het huis. Vanmiddag. Je hoefde niet te blijven.’
Ze trok een los draadje uit de knie van haar broek. ‘Dat wist ik.’
Hij knikte. Hij wilde er nog iets bij zeggen, maar merkte dat hij vooral wilde horen dat zij het niet meer erg vond. Hij liet haar even met rust.
Fara liet het draadje los. ‘Wil je die doeken in die bak leggen? Niet die met verf. Alleen de droge.’
Hij sorteerde de doeken. Er waren meer verfvlekken dan droge plekken. Fara kwam naast hem staan en wees aan welke nog bruikbaar waren voor de houder. Daarna haalden ze samen de lege klemmen van de vloer, zodat Suze er niet overheen zou stappen als ze met haar telefoon tussen de spullen door liep.
Toen Suze uit het hok kwam, hield ze haar duim omhoog. Iemand had de pen. Ze ging hem halen en zou hem morgenochtend inzetten en met de riem testen. Fara keek naar de deken op de kruk.
‘Dan komt oma nog steeds om vier,’ zei ze.
‘Als onze proef goed is,’ zei Suze.
‘Ja. Dat bedoel ik.’
Bij de deur draaide Ties zich om.
‘Ik kom wel kijken als het kan.’
‘Dat mag,’ zei Fara. ‘Op de kant is ruimte genoeg.’
Hij knikte en liep met zijn vader naar buiten. Elias vroeg niet wat hij tegen Fara had gezegd. Ze liepen naast elkaar over de kade. Voorbij de loods kon Ties zijn dakkamer weer zien, boven het riet van de weide.