Hoofdstuk 20 van 22
Bovenwater
Ze gingen niet meteen door de poort.
Nelle liep langs de bovenrand naar de meetstok aan de komkant. Jet stond bij de stok in het vak. Ze keken naar de streepjes, naar elkaar en nog een keer naar het water. Ties wachtte bij Renske op de vaste steiger. Het reddingsvest zat al om zijn lijf, maar de plank naar de voordeur lag nog niet neer.
‘Het scheelt nog een klein stukje,’ zei Jet.
Ze lieten door de gewone kleine inlaat wat water bijkomen tot de standen gelijk waren. Niet hoger dan gisteren. Ties zag aan de dichtstbijzijnde stok dat het water alleen weer tegen dezelfde markering kwam. Aan de andere kant van de deur stond de kom op diezelfde hoogte.
Toen pas ging de poort open.
Er kwam geen stroom naar binnen die aan het huis trok. De brede deuren weken naar de kanten en lieten het bekende water van de kom zien. Een meeuw die op een paal had gezeten, vloog op en ging een paar meter verder weer zitten.
Ties mocht met zijn moeder aan boord. Fara bleef bij Elias op het pad. Ze zou straks naar de loods gaan. Deze laatste tocht door de kom hoefde ze niet in hun woonkamer te zitten om mee te maken.
Hij liep over de plank en bleef even in de deuropening staan. De keuken was net zo vol als de avond ervoor. De kast stond nog in het midden, de beker met potloden beneden. Het verschil zat aan de andere kant van het glas.
Vanaf het open raam zag hij de bovenpoort langs de gevel schuiven. Toen lag er ruimte tussen hen en de rand. Hij kon nu langs de huizen aan de kom kijken. De fiets van meneer Van Dijk stond tegen de muur. Bij een buurvrouw wapperde een laken voor het raam. Ties zag aan de vouw waar het dubbel hing.
‘Ik kan onze paal zien,’ zei hij.
Renske kwam naast hem staan. De witte verfplek was van de havenkant af alleen zichtbaar als je wist waar hij zat. Ties wist het. Het leek hem onmogelijk dat hij donderdag eerst had gedacht dat de paal bewoog.
Jet trok hen in een ruime bocht naar de ligplaats. De plek was geen leeg gat meer waar iets ontbrak, maar een stuk wal dat op hen wachtte. Ties zag de andere paal, de steiger en het hek waar de overloop achter lag. De schuine baan lag grotendeels droog. Er liep nog een dun straaltje water langs de onderste stenen.
Hij keek er niet lang naar.
Aan de steiger stonden Bram en Elias klaar. Fara kwam over het pad aanlopen met haar tas. Ze was niet sneller gegaan dan de boot. Ze had de gewone korte weg genomen.
Het huis kwam dichterbij. Renske keek naar de hoek en gaf een teken. Ties ging van het raam af zodat ze er goed bij kon. Buiten schoof Bram een dikke stootwil tussen hout en paal. Er klonk een zacht schurend geluid. Daarna een korte, doffe aanraking.
Het huis lag weer op zijn plek.
Ties wilde meteen naar de deur. Zijn moeder legde haar hand op zijn arm. Niet om hem streng toe te spreken; ze keek zelf nog naar de lijn die Elias over de paal legde.
‘Eerst vast.’
Hij bleef staan.
De eerste bevestiging zat aan de dikke balk van het voorbordes. Aan de andere kant maakte Bram de tweede vast, aan een afzonderlijk punt. Ze liepen de lijnen na en haalden de spanning van de sleepverbinding. Jet gaf even geen kracht. Het huis bleef waar het was.

De nieuwe gewone verankering was niet precies dezelfde als de oude. Renske had met Jet afgesproken wat er tijdelijk kwam en welke delen later nog werden vervangen. De steen die donderdag van de gebroken ketting was losgeraakt, lag nog op de bodem. Aan de wal zaten nu twee verbindingen die elkaar niet nodig hadden om te blijven houden.
Pas daarna legde Bram de loopplank neer.
Ties liep naar buiten en sprong niet. Hij had er wel zin in. Hij stapte over de plank, zette zijn schoenen op het plankier en draaide zich om.
Het huis zag er hetzelfde uit. Een beetje modder aan de zwarte rand. Het gordijn boven nu netjes binnen. De sok hing niet meer uit de badkamer; zijn vader had hem in de weide weggehaald.
Meneer Van Dijk kwam zijn deur uit. Deze keer droeg hij niets.
‘Daar zijn jullie,’ zei hij.
Renske gaf hem de hand en bedankte hem voor het emmertje. Hij keek naar de nieuwe bevestigingen, knikte en vroeg of hij ergens mee kon helpen.
‘Vandaag vooral niet allemaal tegelijk naar binnen lopen,’ zei Elias.
Meneer Van Dijk keek naar de kast die hij door de open deur kon zien. ‘Daar moet ik sowieso eerst langs kunnen.’
Hij ging een bezem halen om het lege stuk steiger schoon te vegen voordat ze de spullen van de werkboot terugbrachten. Elias wilde zeggen dat hij dat niet hoefde te doen, maar had intussen zelf een tas in beide handen en liet het daarbij.
Fara kwam naast Ties staan. Zij keek niet naar de lijnen. Ze keek naar het bovenraam.
‘Je kamer is er nog.’
‘Ja.’
‘Dan hoef je hem niet nog een keer op te bouwen.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik wil wel iets aan die tafel veranderen.’
Ze keek hem aan. Toen lachte ze, kort en zonder iets uit te leggen.
Jet kwam de steiger op. Ze nam de lege mok aan die Elias haar voor koffie aanbood en keek naar Ties.
‘Geen bestemming meer vandaag?’
‘De loods,’ zei hij. ‘Maar ik ga lopen.’
Fara tilde haar tas op. ‘Ik ga alvast naar huis. Droge schoenen halen. Om vier bij Suze.’
Ties knikte. Ze liep naar het pad, zwaaide nog naar Renske en verdween achter het huis van de buurvrouw.
Hij bleef even bij de paal staan. Aan zijn raam hing niets meer uit. Door het open keukenraam hoorde hij hoe zijn vader de waterkoker neerzette, op dezelfde plek waar die donderdag had gestaan.