← Het huis dat zijn grond verloor
Inhoudsopgave · hoofdstuk 10 van 22
  1. 1. De lade die niet dichtbleef
  2. 2. Los
  3. 3. Een ander uitzicht
  4. 4. Onder de brug
  5. 5. Fara’s boot
  6. 6. Eten aan de verkeerde kant
  7. 7. Niet door mijn wilgen
  8. 8. De baan door de weide
  9. 9. Alles aan één kant
  10. 10. De straat vaart mee
  11. 11. Achter de gesloten poort
  12. 12. Fara gaat
  13. 13. De hoek die bleef steken
  14. 14. Een kamer lager
  15. 15. Niet alleen mijn huis
  16. 16. Wat er weg mag
  17. 17. Zes ritten later
  18. 18. Recht genoeg
  19. 19. De vloer komt vrij
  20. 20. Bovenwater
  21. 21. De dingen die nog moeten
  22. 22. De eerste passagier

Hoofdstuk 10 van 22

De straat vaart mee

Ties had de keuken nog nooit zo netjes gezien. Alles wat kon schuiven, stond in een kast, een krat of achter een band. Zelfs het mandje met ongeopende post was vastgezet. Dat vond hij overdreven. Post liep thuis ook nooit uit zichzelf weg.

Renske trok haar werkjas aan en deed haar reddingsvest eroverheen. Ties kreeg het vest dat hij normaal in de roeiboot droeg. Hij stak eerst zijn hoofd door de verkeerde opening en hoorde zijn vader achter zich zuchten.

‘Ik doe het zelf,’ zei hij.

‘Dat zie ik.’

Hij draaide het vest goed, klikte de sluitingen dicht en liet zijn moeder aan de banden trekken. Ze deed het zonder zijn blik te ontwijken. Daarna liet zij hem aan de hare trekken. Hij trok harder dan nodig was.

‘Hij zit,’ zei ze.

Elias bleef op de wal. Hij zou met Fara meelopen naar de weidepoort en de spullen meenemen die ze daar nodig hadden. Ties mocht bij zijn moeder in de woonkamer blijven tot de eerste stop. Niet op het balkonnetje. Niet in de dakkamer. Hij had gevraagd of hij door zijn eigen raam mocht kijken, maar dat kon later ook weer, had Renske gezegd.

Ze waren even terug op de kade geweest toen Jet de lijnen controleerde. Pas nadat zij het sein had gegeven, waren Ties en zijn moeder weer aan boord gegaan. De loopplank lag nu bij Bram op de werkboot. Ties zag de plek waar zijn voet net nog had gestaan.

De voorste lijn werd losgemaakt. Een moment gebeurde er niets. Toen verschoof de stapel buizen achter het keukenraam.

Ties leunde automatisch naar voren, alsof hij zelf op een bootbankje zat. Zijn stoel stond vast. Alleen het uitzicht ging bewegen.

‘Daar gaan we,’ zei zijn moeder.

Hij had een groot motorgeluid verwacht. Maar Jet trok rustig. De keuken trilde veel minder dan wanneer zijn vader thuis met de boormachine bezig was. De werkboot schoof langs hen heen en verdween achter de muur. Via het open raam hoorde Ties Bram iets roepen, waarop zijn moeder antwoord gaf.

De veerloods kwam voor het raam. Fara stond buiten met haar tante. Ze had haar handen om haar mond gevouwen.

‘Tot straks!’

Ties zwaaide met zijn hele arm. Suze wees naar de gevel en zei iets tegen Fara. Fara keek omhoog en begon te lachen. Ties keek van haar naar Suze. Hij had geen idee wat er grappig aan was.

‘Er hangt een sok uit je raam!’ riep Fara. Ties herinnerde zich hoe zijn vader die vanochtend over het badkamerraampje had gehangen.

‘We vlaggen,’ zei Ties.

Renske keek naar de badkamerdeur en schudde haar hoofd. ‘Uiteraard met één sok.’

Ze kwamen langs het havenkantoor. De klok stond nog op tien over twee. Een man in de deuropening keek van de klok naar zijn horloge, alsof hij zich door het passerende huis ineens herinnerde dat er iets niet klopte. Ties zag hem naar binnen gaan en met een klein trapje terugkomen.

Daarna lag er een stukje open water. De gevel van hun huis draaide van de kade af. Ties voelde de beweging in zijn buik, hoewel de vloer onder zijn voeten niet kantelde. Op tafel stond niets meer dat kon schuiven. Hij miste het gewone geluid van een lepel tegen een kopje.

Zijn moeder hield het raam op een kier. Zo kon ze met Bram praten zonder de deur open te zetten. Ze antwoordde kort, keek langs de zijkant en ging weer bij Ties zitten. Op haar knie lag haar telefoon. Het scherm was donker.

‘Ben je nog bang?’ vroeg ze.

Hij dacht na. ‘Niet zo.’

‘Als het wel zo is, zeg je het.’

‘Dat is niet iets wat ik kan vergeten.’

Ze knikte. ‘Nee. Maar je kunt wel proberen het niet te zeggen.’

Hij keek naar de plek waar de kast had gestaan. De lichte rechthoek aan de wand leek een nieuw raam zonder glas. Door het echte raam kwam de overkant van de haven langzaam naar hen toe. Ze voeren er niet recht op af; Jet trok het huis in een bocht naar de brede rivierpoort van de Buitenweide.

Langs het pad liepen Elias en Fara. Elias had zijn fiets aan de hand. Op de bagagedrager stond Brams gereedschapskist. De kist stond scheef. Fara hield hem met één hand tegen terwijl ze liepen. Ze keek niet voortdurend naar Ties. Ze moest steeds om plassen en paaltjes heen.

Het gecontroleerd gesleepte huis vaart langs de havenkade; Ties en Renske zijn binnen, Fara en Elias lopen op de kant.

Bij een laag schuurtje stond meneer Van Dijk. Hij was kennelijk ook naar de haven gelopen. Hij hield een wit emmertje omhoog.

‘Gevonden!’ riep hij.

Ties keek naar zijn moeder.

‘Van onder onze dakgoot,’ zei ze.

Meneer Van Dijk zwaaide met het emmertje. ‘Het stond nog te wachten!’

Renske stak haar duim op. Ties wilde roepen dat hij het tikken niet had gemist, maar ze waren alweer te ver weg. Het emmertje werd kleiner achter een rij knotwilgen.

Toen zag hij de poort. Van het pad af had die nooit zo groot geleken. Nu stonden de twee houten deuren open langs de kanten. Aan de andere zijde lag een brede strook water tussen lage begroeide randen. De bovenpoort, ver weg aan het einde, was dicht.

Jet hield stil voordat het huis naar binnen ging. Een lijn werd verlegd. Renske liep naar het raam aan de voorkant, keek naar een teken dat Bram gaf en herhaalde het met haar hand. Ties bleef op zijn stoel. Hij kon niets doen behalve zijn voeten zo neerzetten dat ze niemand in de weg stonden.

Het huis gleed tussen de poortpalen.

Even was het keukenraam donker doordat een dikke paal ervoor stond. Toen was er weer licht. Aan beide kanten van het huis bleef water zichtbaar. Niet veel, vond Ties. Wel genoeg om te zien dat de muren nergens tegenaan kwamen.

Aan de binnenkant lag een kleine vaste steiger. Daar werd de voorste lijn om een paal gelegd. Jet gaf geen gas meer. Het huis kwam rustig tot stilstand.

‘Eerste halte,’ zei Renske.

Ze stonden pas op toen Bram de plank vast had gelegd. Ties liep achter zijn moeder naar de steiger. Op het pad stond Fara te wachten. Elias hield het witte emmertje vast, dat meneer Van Dijk hem kennelijk had meegegeven.

‘Heb je alles nog?’ vroeg zijn vader.

Ties keek omhoog naar zijn raam. Het gordijn zat binnen.

‘Ja,’ zei hij. ‘En jij hebt er iets bij.’

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.