Hoofdstuk 12 van 22
Fara gaat
Fara had haar vest al dicht. Haar handen zaten in haar zakken, haar voeten wezen naar de loods. Ze wachtte nog op Renske, die met Nelle terugkwam langs de rand.
‘Ik ga nu naar Suze,’ zei ze. ‘Mijn tante weet dat ik eraan kom.’
‘Goed,’ zei Renske. ‘Bedankt voor de kast. Ik zie je morgen weer?’
‘Morgen na de boot. Of eerder, als we vandaag al klaar zijn.’
Ties keek op. Hij stond naast zijn vader bij het hek en hield het lege emmertje vast. Er was niets meer in het emmertje gekomen sinds meneer Van Dijk het had teruggebracht.
‘Maar we gaan zo pas verder.’
Fara knikte. ‘Dat weet ik.’
‘Dan kun je toch nog even wachten?’
‘Het is bijna twee.’
Hij keek naar de poort, naar Jet en Bram, naar zijn moeder die nu een losse lijn oprolde. Het leek hem verkeerd dat Fara net nu weg zou gaan. De hele ochtend had bestaan uit dingen klaarmaken, kijken en wachten. Nu kon er eindelijk iets gebeuren.
‘Dat bankje loopt niet weg,’ zei hij.
Fara haalde haar handen uit haar zakken.
‘Nee. Maar Suze heeft ook ander werk. Ik heb je gisteren al gezegd wanneer ik ging.’
Ties draaide het hengsel van het emmertje heen en weer. Het piepte.
‘Ik zou ook niet weglopen als jouw hele huis ergens vastzat.’
Het emmertje werd stil.
Fara keek hem een paar tellen aan. Haar gezicht werd niet rood, zoals hij verwachtte. Ze zag er vooral moe uit.
‘Dan moet je dat nu niet voor mij beslissen,’ zei ze.
Elias legde zijn hand op het emmertje. Hij nam het niet over. Hij hield alleen het hengsel vast.
Ties liet los.
‘Fara heeft een afspraak,’ zei zijn vader.
‘Ik hoor het.’
Zijn moeder keek van de lijn op. Fara zei haar nog gedag en liep het pad af. Niet hard en ook niet overdreven langzaam. Bij het hek naar de haven bleef ze even staan omdat Nelle de haak nog moest losmaken. Ze bedankte haar en liep door.
Ties zag haar tussen de loods en de knotwilgen verdwijnen. Hij had gedacht dat ze misschien nog om zou kijken. Dat deed ze niet.
‘Ze had nog een kwartier kunnen blijven,’ zei hij.
Elias zette het emmertje neer. ‘Misschien. Ze had ook vanmorgen niet hoeven komen.’
Hij zei het zonder zijn stem te verheffen. Daarna ging hij Renske helpen met de lijn. Ties bleef achter bij het hek.
Hij kreeg het nu warm, hoewel hij juist koud had gezeten. Onder zijn trui jeukte het bij de hals. Hij trok aan de stof en keek naar zijn schoen. Er zat nog steeds modder in het patroon van de zool. Als hij zijn hiel optilde, bleef er een brokje aan de rand van de plank hangen.
Bram kwam aan met drie losse afzetstokken. ‘Kun je die bij die kist zetten? Rechtop, niet in het pad.’
Ties nam er twee aan. Hij liep naar de kist. Toen hij zich omdraaide, wilde hij vragen of Fara het andere eind even kon pakken. Het zat al op zijn tong voordat hij zag dat ze weg was.
Hij zette de stokken neer en ging terug voor de derde. Het werk was niet moeilijker geworden. Alleen stiller.
Bij de steiger werd de loopplank opgehaald. Ties mocht hem niet samen met zijn vader dragen; daar was hij aan één kant te zwaar voor. Hij bleef wachten tot Bram klaar was en het andere eind overnam. Daarna konden zij er pas langs.
Ties wist dat Fara die plank ook niet had mogen dragen. Toch voelde het alsof er door haar vertrek ineens overal iemand tekort was.
Hij liep een eindje naar de havenkant. Door een smalle opening tussen twee schuurtjes kon hij de loods zien. Fara stond met Suze bij de boot. Ze staken iets door een houder en bewogen het heen en weer. Fara zei iets en legde haar hand op de bovenrand. Suze bukte om aan de andere kant te kijken.
Ze stonden niet te niksen.
Ties trok zijn voet van de plankrand terug en liep naar het vak. Hij wilde niet betrapt worden op kijken alsof hij controleerde of ze wel een goede reden had om weg te gaan.
Renske stond bij de vaste steiger. Ze had het oranje reddingsvest nog aan, maar haar jas was nu open. Ze vroeg of hij bij zijn vader op de buitenrand wilde blijven. Voor het proefstuk ging niemand het huis in, ook zij niet.
‘Omdat het misschien stopt?’ vroeg hij.
‘Omdat we niet weten hoe dat stuk onder de hele bodem erbij ligt. We hoeven niemand binnen te hebben om daarachter te komen.’
Hij knikte. Dit was vanmorgen al afgesproken. Toen had het als een klein stukje van een groot plan geklonken. Nu zag hij het huis alleen tussen de lijnen liggen.
Zijn moeder merkte hoe hij keek.
‘Stil komen liggen is niet hetzelfde als omvallen,’ zei ze. ‘Jet trekt niet door als het niet goed gaat.’
‘Ik weet het.’
Ze liet hem met rust. Ties was haar daar dankbaar voor. Hij wilde niet ook nog uitleggen dat hij op dit moment niet precies wist waar hij zich het meest druk om maakte.
Aan de overkant tilde Bram een gele lap hoger op. Jet kwam uit het stuurhuis en liep naar de voorste lijn. Ze keek langs het huis en gaf een kort teken.
Elias kwam naast Ties staan. Hij had de deuk in de broodtrommel teruggedrukt. Het deksel was nu een beetje bol.
‘Je moet hem met twee handen dichtdoen,’ zei hij.
Ties nam de trommel aan. Hij probeerde het. Met een zachte klik schoot het deksel vast.
De motor begon weer te brommen.