Hoofdstuk 3 van 22
Nummer zeventien
De rits van de hoes bleef even bij het hoekje hangen. Cato trok niet harder. Ze duwde het stof naar binnen, zoals bij haar schooltas, en probeerde opnieuw.
Er lag een verrekijker in met een kort rood lusje. Het lusje was geen mooie draagband. Iemand had een smalle strook stof dubbelgevouwen en met wit garen vastgenaaid. Drie steken stonden schuin over elkaar.
‘Mag hij eruit?’ vroeg ze.
Een man naast de tafel draaide zich om. Hij had wit haar dat bij zijn oren omkrulde en droeg een geruit overhemd onder een grijs vest.
‘Daar is de kijkmiddag voor.’
‘Bent u van de veiling?’
‘Alleen van deze kijker. Ik heb hem gebracht.’
Cato hield de hoes met één hand tegen en tilde hem eruit. Hij was kleiner dan die van haar vader. Aan de bovenkant zat een geribbeld wieltje. Ze stak haar hand door het rode lusje, maar dat paste nauwelijks om drie vingers.
De man glimlachte. ‘Om aan een haakje te hangen. Ik had er ooit een lange band aan. Die is ergens anders gaan wonen.’
‘Is hij nog goed?’ vroeg Dorus.
‘Probeer hem vooral. Mijn naam staat op het vel. Reinier.’
Hij wees niet naar zichzelf, maar naar het kleine bordje op tafel. Cato zocht de R. van Vliet tussen de andere namen. Ze vond hem bij zeventien.
‘Waarom doet u hem dan weg?’
‘Ik gebruik een andere. Deze ligt al een tijd in de kast.’
Er kwam een vrouw met kort grijsblond haar aanlopen. Haar rode vest zat aan één kant in de tailleband van haar broek. Achter haar oor stak een pen.
‘Ben je de spullen aan het verkopen voor ik begin, Reinier?’
‘Ik laat iemand kijken, Anja.’
‘Dan keur ik het goed.’
Ze trok haar vest los en keek Cato aan. ‘Raf zei dat je morgen zelf wilt bieden.’
Cato knikte. Ze had liever niet dat Raf dat al aan iedereen vertelde. Toch was het handig dat ze het niet zelf opnieuw hoefde te vragen.
‘Als je vader erbij is, kan dat hier. Je zegt het bedrag duidelijk. Na de verkoop gaan jullie samen afrekenen. Er komt geen bedrag bij dat je nog niet weet.’
‘En als iemand heel snel meer zegt?’
‘Dan ben je niet verplicht even snel mee te doen.’
Anja hield haar hand stil boven de tafel. Cato wachtte tot ze wegliep voor ze haar vader weer aankeek.
‘Dat was geen antwoord op hoe ik moet winnen.’
‘Nee,’ zei Dorus. ‘Dat vond ik er goed aan.’
Bij de achterdeur van de zaal was genoeg licht. Reinier liep mee om te laten zien waar ze kon staan zonder iemand in de weg te zitten. Buiten lag een smal grasveld. Daarachter stonden lage huizen en een houten paal met een scheef plankje eraan.
Cato zette de kijker voor haar ogen. Twee donkere randen schoven over elkaar. Ze bewoog de buizen een beetje. Nu keek ze door één rond beeld. Het plankje was nog wazig.
Ze draaide aan het middenwieltje. Het liep soepel, met precies genoeg weerstand om niet zomaar terug te gaan. De nerf in het plankje kwam tevoorschijn. Daaronder hing een klein wit touwtje dat ze met haar blote ogen niet had gezien.

‘Ik zie de schroef,’ zei ze.
‘Welke?’ vroeg Dorus.
‘Die door het plankje gaat. Er zit maar één in.’
Ze keek hoger, naar een dakrand achter het grasveld. Daar moest ze opnieuw een beetje scherpstellen. Het lukte. Een nat blad zat dubbelgeklapt in de goot.
Haar vader hield zijn hand op. Cato gaf hem de kijker en wachtte tot hij hem weer teruggaf. Dat duurde niet lang, maar ze voelde het toch.
‘Past goed in je handen,’ zei hij.
Ze nam hem aan en draaide hem om. Aan de onderkant van de buis die links voor haar oog zat, was een driehoekje van de zwarte verf verdwenen. Daaronder was het metaal dofgrijs. Ze streek er met haar duim over. Het was glad, niet scherp.
‘Dat zit er al lang,’ zei Reinier. ‘Ik heb hem vaak vastgepakt. Daar is de verf afgesleten.’
Cato bekeek de andere buis. Die was helemaal zwart. Ze legde de kijker weer goed in haar handen. Haar linkerduim kwam vlak bij het kale driehoekje.
‘Ik vind het niet erg,’ zei ze.
‘Dat hoeft ook niet. Zolang je het maar weet.’
Een deur klikte achter hen. Sander kwam naar buiten met twee lege kratten. Hij bleef bij het groepje staan en keek naar de kijker.
‘Dat model ken ik. Heb ik ook eens opgetikt.’
‘Deze was van mij,’ zei Reinier.
‘Ja, niet déze. Ik bedoel dezelfde soort.’
Sander zette de kratten naast de deur. Hij vroeg of de grijze koffer met het kapotte slot ook bij Reinier hoorde. Die schudde zijn hoofd en liep met hem naar binnen om het lijstje na te kijken.
Cato keek nog één keer naar het plankje. Het stond er nog. De schroef ook. Er was geen vogel die op kon vliegen voordat ze klaar was.
Toen liet ze de kijker zakken.
‘Dertig,’ zei Dorus.
Ze zuchtte. ‘Ik heb niks gevraagd.’
‘Ik herinnerde mezelf eraan.’
Binnen stond een andere bezoeker al bij nummer zeventien. Cato legde de kijker in de zwarte hoes. Het rode lusje wilde onder de rits komen. Ze stopte het voorzichtig naar binnen en streek de stof vlak.
De vrouw naast haar wees op de hoes. ‘Mag ik die even?’
Cato hield hem nog een halve tel vast voordat ze hem gaf.
‘Ja,’ zei ze. ‘Natuurlijk.’
Haar vader liep terug naar de broodtrommel. Zij bleef in de buurt van de kleine spullen tot de vrouw de kijker weer neerzette.