Hoofdstuk 1 van 22
Nog één keer kijken
Cato keek naar een paal waar geen vogel meer op zat.
‘Net nog wel,’ zei haar vader.
Ze liet de verrekijker zakken. Aan de overkant van de sloot stond een rij hekpalen. Op één ervan zat een prop touw. Daar had ze nu zo lang naar gekeken dat ze de losse draadjes kon tellen.
‘Welke paal?’
Dorus wees. ‘Die naast de scheve.’
Er stonden drie scheve palen. Cato schoof de kijker weer voor haar ogen. Eerst zag ze alleen een donkere halve maan. Ze duwde de twee helften een beetje naar elkaar toe en draaide voorzichtig aan het wieltje. Het touw werd scherp. De vogel kwam niet terug.
Haar vader stond met zijn handen om een kartonnen koffiebeker. Het dekseltje sloot niet goed. Bij iedere slok kneep hij met zijn duim op dezelfde plek, alsof hij het ding daarmee kon opvoeden.

‘Hij had zo’n witte streep,’ zei hij.
‘Dat zeg je nu.’
‘Ik zag hem ook nu pas.’
Cato keek hem over de kijker aan.
‘Daarnet,’ verbeterde hij. ‘Ik zag hem daarnet pas.’
Een man met een hond liep langs. De hond trok naar de papieren zak die naast Dorus op het bankje lag. Cato hield hem een beetje hoger. Er zat nog een kaasbroodje in, maar de hond leek niet het soort dat genoegen nam met die uitleg.
‘Doorlopen, Moos,’ zei de man.
Moos ging zitten.
Toen ze eindelijk weer alleen waren, zette haar vader zijn beker naast de zak op het bankje. Cato trok de zwarte draagband over haar hoofd en gaf hem de kijker. Hij draaide aan het wieltje, zocht langs de sloot en bleef meteen ergens naar kijken.
‘Daar. Nu zit hij lager.’
Hij gaf hem terug. Cato deed de band weer over haar hoofd en hief de kijker, zocht, zag riet, zag een plastic zak aan een tak en zag ten slotte iets kleins achter een pol verdwijnen.
‘Weg,’ zei ze.
Dorus pakte zijn beker van het bankje en streek met zijn vrije hand over zijn snor. Hij zei niet dat ze sneller moest kijken. Dat vond ze prettig, maar het hielp niet veel.
Ze trok de zwarte draagband over haar hoofd en gaf hem de kijker. De dop van zijn koffiebeker sprong los toen hij de band aannam. Er viel een druppel koffie op zijn schoen.
‘Deze keer heeft de vogel gewonnen,’ zei hij.
Cato pakte het kaasbroodje uit de zak. ‘Die hoefde ook niet op zijn beurt te wachten.’
Op de terugweg vroeg ze of haar vader zijn kijker ooit tweedehands had gekocht.
‘Nee. Daar heb ik lang voor gespaard.’
Dat was niet het antwoord waarop ze gehoopt had. Ze sloeg de zak dubbel om het overgebleven stukje broodje. Haar vader liep aan de kant van het fietspad, zij langs het gras. Om de paar stappen schopte ze een blaadje voor zich uit.
‘Waarom?’ vroeg hij.
Ze haalde haar schouders op.
‘Je vraagt het vast niet omdat je mijn oude kassabon wilt zien.’
‘Misschien wil ik zelf een kijker.’
Haar vader keek even opzij. ‘Dat kan.’
Meer zei hij niet. Hij bood de zijne niet aan. Hij zei ook niet dat ze thuis al een telescoop had die onder haar bed lag. Dat was trouwens geen telescoop. Het was een uitschuifbaar ding van karton waarmee je aan de andere kant van de kamer nét kon zien dat er een kamer was.
Thuis stond haar spaarpot boven op de kast. Een blauwe hond met een gleuf in zijn rug. Cato had hem gekregen toen ze zeven was. Destijds had ze gedacht dat hij groot genoeg was om rijk te worden. Nu kreeg ze haar vingers nauwelijks in het gat aan de onderkant.
Ze spreidde een theedoek op de keukentafel en schudde de hond leeg. Er rolde een munt van twintig cent onder de broodplank. Ze hield haar hand ervoor voordat hij ook nog op de vloer kon vallen.
Vierendertig euro en tachtig cent.
Ze telde nog een keer. De tweede keer werd het niet meer.
Dorus hing zijn jas aan de stoel. ‘Dat is een begin.’
‘Ik weet niet hoeveel een begin kost.’
Hij ging naast haar zitten en trok de buurthalbrief onder een stapel folders vandaan. Op de voorkant stond een tekening van een hamer. Cato had gedacht dat het over een klusdag ging.
‘Morgen is die veiling. Raf helpt er met zijn moeder.’
Dat wist ze. Raf had haar gisteren een bericht gestuurd met drie uitroeptekens en een foto van lege tafels. Ze had niet begrepen waarom ze daar zo dringend naar moest kijken.
Dorus vouwde het blad open. Er stond een lijst met spullen in: een houten stoel, een doos kopjes, een lamp, een koffer waarvan de sleutel ontbrak. Zijn vinger gleed langs de regels en stopte.
‘Zeventien.’
Cato schoof met haar elleboog de munten opzij.
Een zwarte verrekijker met hoes. Ingebracht door R. van Vliet. Meer stond er niet.
‘Hoeveel?’ vroeg ze.
‘Dat beslissen de mensen die bieden.’
‘Maar ongeveer?’
‘We kunnen vanmiddag eerst gaan kijken. Misschien is het niks.’
Ze vond dat een buitengewoon vroeg moment om te beginnen over misschien niks. Ze trok het blad naar zich toe en las nummer zeventien nog eens.
‘Is dat niet raar? Een kind dat biedt?’
‘Je gaat met mij. We vragen gewoon hoe ze dat daar doen.’
Hij schoof haar muntjes terug op de theedoek. Er zat een koffiering op het papier, dwars over een set serveerschalen. Cato hield haar duim op de regel van de kijker.
‘Tot dertig,’ zei ze.
Haar vader knikte. ‘Dat is jouw grens?’
Ze keek naar het geld. Dan hield ze vier euro tachtig over. Voor een nieuwe fietsband als die lek ging, of een verjaardag waar ze niet aan gedacht had. Zulke dingen gebeurden juist wanneer haar spaarpot leeg was.
‘Dertig,’ zei ze opnieuw.
‘Dan schrijven we dat op voordat je morgen met iemand om een bedrag gaat vechten.’
‘Ik ga niet vechten.’
‘Met je hand, bedoel ik.’
Cato stak haar hand op alsof ze al in de zaal zat. Ze keek zo ernstig mogelijk naar de broodrooster.
‘Vijftig!’ riep haar vader.
Ze liet haar hand meteen zakken. ‘Pap.’
Hij pakte de lege koffiebeker en hield hem boven de afvalbak. Ze wachtte tot hij hem echt had weggegooid en stuurde Raf toen een bericht.
Ben jij vanmiddag ook daar?
Er verschenen onmiddellijk drie stipjes.