Hoofdstuk 11 van 22
Nog eens proberen
Cato hield de kijker voor haar ogen en wees naar de achterdeur. Verderop hing het scheve plankje nog aan zijn paal. Ze kon het vanaf de tafel niet goed zien. Mensen liepen ervoor langs.
‘Daar heb ik gisteren gekeken,’ zei ze.
Reinier vroeg of ze even mee wilde naar het licht bij de deur. Anja pakte de hoes en het papier bij elkaar. Dorus liep met hen mee. Raf bleef bij de uitgifte naast zijn moeder. Hij keek hen na tot iemand een strookje voor hem neerlegde.
Bij de deur gaf Cato de kijker aan Reinier. Ze had hem willen laten zien dat ze zelf kon scherpstellen, maar met dit toestel kon ze dat juist niet. Ze hield haar handen in de zakken van haar jas.
Reinier keek eerst naar de buitenkant. Hij draaide hem rustig om zonder op de vlekjes te wijzen. Daarna zette hij hem voor zijn eigen ogen en schoof de twee buizen passend.
Hij bewoog de kleine ring bij een van de oogranden en daarna het middenwieltje. Zijn voorhoofd trok samen.
‘Dat loopt niet verder,’ zei hij.
‘Dat bedoel ik.’

Hij probeerde niet harder. Hij liet de kijker zakken en gaf hem aan Dorus, die zijn hand al had uitgestoken.
‘Dat kleine ringetje is iets anders dan het middenwiel,’ zei Reinier tegen Cato. ‘Maar dat heb je gisteren goed gedaan. Nu blijft dit wiel hier gewoon steken.’
Anja keek naar hem. ‘Kun je zeggen of dit jouw toestel is?’
‘Dit is niet wat ik heb gebracht.’
Hij zei het zonder boos te worden. Cato had niet geweten hoe graag ze dat wilde horen tot hij het zei.
Dorus hield de kijker op zijn vlakke hand. Anja pakte hem daarvan af en keek naar de onderkant.
‘Cato heeft een kale plek gezien.’
Reinier knikte. ‘Een klein driehoekje. Onder de linker kant, als je erdoor kijkt. Ik heb die plek zelf vaak genoeg gevoeld.’
Cato haalde haar hand uit haar zak. ‘Daar. Maar op deze zit het niet.’
Anja hield de buizen zo dat het licht erop viel. Onder de ene kant was het zwart wat doffer dan onder de andere, maar er zat nergens die grijze driehoek.
‘En geen wit?’ vroeg ze aan Reinier.
‘Op de mijne niet. Die had geen verfspatjes bovenop.’
Cato keek naar de twee witte vlekjes. Het kleine staartje aan de ene liep tot bijna tegen het middenwiel. Ze zou dat nu tussen honderd zwarte dingen nog terugvinden.
‘Die heb ik achter gezien,’ zei ze nog eens. ‘Niet deze onderkant. Alleen die spatjes.’
Anja knikte. ‘Dat heb ik gehoord. En Raf zag Sander eerder een kijker uit zijn tas pakken. We gaan hem gewoon vragen wat hij wanneer heeft gedaan.’
Een vrouw met een lege koffiekan kwam naar de deur. Ze hield hem een beetje opzij om langs hen heen te kunnen. Dorus zette een stap terug en trok Cato zacht aan haar jas mee uit de doorgang.
Iedereen moest langs hen blijven lopen. De kijker was voor haar ineens het enige in de zaal, maar de koffie was op en de verkoop ging ook verder.
Reinier keek naar haar. ‘Heb je gisteren nog iemand anders ermee laten kijken?’
‘Pap. En daarna die mevrouw aan de tafel. Niet door mij. Ik heb hem teruggelegd.’
‘Dat mag gewoon,’ zei Anja. ‘Daar stonden de spullen voor.’
Cato had niet gedacht dat ze daar iets verkeerds aan had gedaan. Toch was het prettig dat Anja het zei.
Dorus vroeg of er misschien nog een andere kijker was ingebracht die niet op hun lijst stond.
‘Ik laat de inbreng nakijken,’ zei Anja. ‘En de verpakkingen bij de tafel. Misschien is er iets verkeerd teruggezet. Eerst houden we deze even apart.’
Ze stak de kijker niet terug in de hoes voordat Cato het nummerkaartje nog één keer had aangewezen. Het koordje zat er nog precies hetzelfde aan. Raf had het niet verwisseld. Dat kon ze zelf zien.
‘Die hoes klopt,’ zei ze.
‘Dan blijft hij erbij.’
Anja legde het papier er los omheen, niet netjes zoals Raf het had gedaan. Ze droeg alles met beide handen terug naar de uitgifte.
Reinier liep naast haar. Hij zocht een ander vrijwilligersbriefje in zijn zak en vouwde het open. Cato ving een blik op een rij telefoonnummers, maar kon er niets van lezen. Ze draaide zich terug naar de achterdeur.
Het plankje stond scherp in het middaglicht. Ze kon het touwtje met haar blote ogen niet onderscheiden.
Dorus kwam naast haar staan. Hij zei niets over ogen, afstellen of goed kijken. Hij wees alleen naar de tafel waar hun spullen nu lagen.
‘Kom. Anders denkt Raf straks dat wij ook verkocht zijn.’
Cato blies haar adem uit. ‘Jij bent te zwaar om in te pakken.’
‘Maar heel bruikbaar. Ik ken iemand die dat kan bevestigen.’
‘Dat ben jijzelf.’
Hij legde zijn hand even op haar schouder en liep met haar mee terug.