Hoofdstuk 15 van 22
Wat Anja al weet
Anja stond niet meer bij de krat. Ze stond met Sander aan het uiteinde van de uitgiftebalie. Farida had haar lijst open voor zich. Reinier zat op een stoel vlakbij en draaide een pen tussen zijn vingers.
De blauwe krat stond nog op de kruk achter de balie. Het deksel zat dicht.
Cato keek eerst daarnaar. Toen pas naar Raf, die achter Lotte langs liep met een stapel gebruikte zakjes. Hij zag haar en knikte kort. Hij glimlachte niet, maar draaide zich ook niet van haar af.
Dorus zette zijn bruine fietstas naast zijn eigen jas. De broodtrommel was erin verdwenen. Hij kwam bij Cato staan toen Anja hen zag.
‘We hebben de inbreng nagelopen,’ zei ze. ‘Er is geen tweede verrekijker tussen gekomen. Niet op de hoofdlijst en niet bij wat later nog is gebracht.’
Farida schoof een vel naar Dorus toe. Ze hield haar vinger op één regel, zodat hij niet de hele lijst hoefde te lezen.
‘Nummer zeventien. Reinier van Vliet.’
Cato zag de naam. Ze wist het nummer. Het hielp om te zien dat ze het ook echt hadden nagekeken.
Henk, de man die van Anja bij het tillen moest wachten, kwam uit de werkruimte. Hij bleef in de doorgang staan om er niet nog iemand bij te proppen.
‘Geen losse kijker achter. Ook niet tussen de retouren. Er staat nog een fototoestel zonder tasje, dat is alles.’
Anja bedankte hem. Lotte gaf hem een doos die naar een koper verderop moest. Hij nam hem mee zonder eerst aan Cato te vragen wat er nu precies mis was. Ze was hem daar dankbaar voor.
‘Twee mensen die al kleine spullen hebben opgehaald, heb ik gesproken,’ zei Anja tegen Dorus. ‘Ook geen extra toestel in hun verpakking. De rest van de afhaalstrookjes houden we even bij elkaar.’
Ze keek naar Sander. ‘Dan jouw handelingen nog.’
Hij leunde met zijn hand op de balie. Cato had hem gisteren met zijn vingers op de hoes zien tikken. Of vandaag. Ze wist het plotseling niet meer zeker en besloot dat juist niet te zeggen.
‘Ik pak de kleine spullen in,’ zei hij. ‘Dat doe ik al de hele ochtend.’
‘Dat weet ik. De kijker op de tafel waar Cato die verfspatjes zag. Wat had je toen in handen?’
Sander trok zijn wenkbrauwen op. ‘Dat was zeventien. Die had ik van jou gekregen toen hij verkocht was, om in te pakken.’
Anja keek hem aan. Ze knikte niet meteen.
‘En Raf zag een kijker uit jouw groene tas komen.’
‘Er zat inpakmateriaal in die tas. Papier.’
‘Dat was niet de vraag.’
Cato schoof haar hand onder de rand van haar mouw. Haar vader bleef naast haar staan. Het was vreemd om Anja zo te horen. Ze zei het niet hard, maar Sander ging wel rechter staan.
‘Ik heb mijn eigen spullen daar,’ zei hij. ‘Maar geen andere kijker om mee te geven. Misschien heeft hij iets anders gezien. Je bent de hele dag dingen aan het verplaatsen.’
Raf had de lege zakjes inmiddels neergelegd. Zijn mond ging een klein stukje open. Farida keek naar hem en stak één hand op om te laten zien dat ze hem had gezien.
Anja liep met Sander de paar stappen naar de inpakruimte. Cato bleef bij de gewone doorgang, met Dorus achter haar. Ze kon de haak naast de tafel zien. De groene tas hing eraan zoals eerder, met een gedraaid hengsel.
‘Kun je laten zien wat je hier hebt?’ vroeg Anja.
Sander trok de rits een eindje verder open. Hij hield de tas aan de bovenkant vast, zonder hem van de haak te halen. Er zat een stapel gevouwen papier in. Een hoek stak naar buiten. Hij duwde hem terug en hield de opening naar Anja toe.
‘Dit. Dat heb ik meegenomen zodat er genoeg was.’
Anja keek. Ze trok niets uit zijn handen.
‘Ik wil de volgorde nog nalopen,’ zei ze. ‘Blijf je even hier?’
‘Ik loop niet weg.’
Hij liet de tas los en legde zijn hand op de inpaktafel. Een vrijwilliger die erlangs wilde, bleef staan met een stapeltje boeken tegen zijn buik. Anja wees naar het vrije einde. De man legde de boeken daar neer.
Cato keek terug naar Raf. Hij wreef met zijn wijsvinger tegen de poot van zijn bril. Ze herkende die beweging. Dat deed hij ook wanneer iemand hem bij een spel uitlegde dat hij iets onmogelijk gezien kon hebben.
Farida ging naast hem staan.
‘Wat zag je uit de tas komen?’ vroeg ze.
‘Een kijker. Twee buizen. Zwart. Ik heb niet gezegd dat ik de vlekjes zag.’
Ze knikte. ‘Dat heb je inderdaad niet gezegd.’
Raf keek naar Cato. ‘En ik heb ook niet gezegd dat ik in de hoes heb gekeken. Alleen naar het kaartje.’
‘Dat weet ik nu,’ zei ze.
Hij bleef nog een tel naar haar kijken voordat hij zijn handen uit zijn zakken haalde.
Anja kwam terug naar de balie. Ze vroeg Farida bij haar te blijven om de strookjes en de overdracht na te lopen. De verkoop op het podium werd rustig voortgezet door de andere vrijwilliger. Ze hoefde niet terug te rennen om de volgende hamerklap te redden.
Cato keek nog één keer naar de groene tas. Ze zag papier. Een rits. Een hengsel dat niet goed plat hing. Ze wist niet wat er verder in zat.
Raf pakte een nieuw vel bruin papier van de stapel.
‘Kom hier maar even,’ zei hij.
Hij bedoelde de lege kant van de werktafel, niet de tas. Cato liep met Farida mee tot ze naast hem kon staan.