Hoofdstuk 21 van 22
Opnieuw uit de hoes
Anja kwam hen bij het buffet halen toen Cato haar lege beker net in de afvalbak had gezet.
Ze had de goede kijker in haar handen. Het rode lusje hing vrij. Farida liep naast haar met de zwarte hoes en het nummerkaartje er nog aan.
‘We hebben vastgelegd welk toestel waar lag,’ zei Anja tegen Dorus. ‘De andere blijft hier. Henk is bij Sander. Ik neem het verdere contact en de melding over.’
Haar vader knikte. ‘Als je ons nog nodig hebt, heb je mijn nummer.’
‘Dat heb ik. En de koop van zeventien kan nu gewoon goed worden afgemaakt.’
Cato keek naar de kijker. Ze wilde hem aannemen, maar ze liet Anja eerst uitspreken.
‘Wil je zelf nog eens proberen?’
Ze stak beide handen uit.
Het gewicht was hetzelfde als gisteren. De buizen pasten weer op die prettige manier tussen haar vingers. Ze draaide hem om en zag het grijze driehoekje onder de linker buis. Haar duim gleed erlangs. Daarna liet ze hem goed in haar handen liggen.
Reinier kwam ook naar de achterdeur. Hij bleef een stukje opzij staan, zodat hij niet over haar schouder mee hoefde te kijken.
Cato zocht eerst met haar blote ogen het scheve plankje. Het hing nog aan de paal. Daarachter schoof iemand een gordijn voor een raam, maar zij hield haar ogen op de plek waar ze heen wilde.
Ze bracht de kijker omhoog.
De paal stond te veel links in haar beeld. Ze bewoog haar handen een beetje en draaide rustig aan het middenwiel. Het ging helemaal door, zonder dat ze meer kracht hoefde te zetten.
Het plankje werd scherp. Het witte touwtje eronder ook. Ze kon zelfs zien waar een klein splintertje van het hout afstond.
Ze liet de kijker nog niet zakken.
‘Goed?’ vroeg Dorus.
‘Ja.’
Ze zei het eerst naar het plankje toe en toen, toen ze hem liet zakken, naar haar vader.
‘Ja. Deze wel.’
Reinier glimlachte. Hij legde geen hand op de kijker. ‘Veel plezier ermee.’
‘Dank u.’
Het klonk alsof hij haar iets had gegeven. Cato wilde er bijna bij zeggen dat ze had betaald. Ze zag toen hoe hij naar de kijker in haar handen keek, en ze liet het zo. Hij had hem eerst gebruikt. Nu was hij van haar.
Farida gaf de zwarte hoes aan Cato. Het nummerkaartje zat nog vast. Cato stopte de kijker erin, met het rode lusje naar binnen, zodat de rits er niet overheen zou gaan.
Ze keek naar de hoes toen die dicht was. Hetzelfde zwarte ding had twee keer een ander toestel bevat. Nu wist ze zelf wat ze erin had gedaan.
Anja vroeg of ze nog even bij de uitgifte wilden komen voor het betaalde strookje. Ze zette een aantekening bij de koop en gaf het aan Dorus. Hij liet het Cato zien voordat ze het in haar portemonnee deed.
‘Zesentwintig,’ zei ze.
‘Nog steeds,’ zei Anja.
Cato haalde acht euro tachtig uit haar vakje om te zien of alles nog klopte. De munt van twintig cent bleef aan het voeringrandje hangen. Ze peuterde hem los en stopte hem terug zonder een hele nieuwe telling te beginnen.
Anja ging naar de werkruimte. De groene tas bleef daar op tafel. Het bruine buitenpapier met het gescheurde blauwe strookje lag nog in de krat. Cato kreeg geen nieuw pakpapier. Ze had daar ook geen behoefte aan.
Raf stond naast zijn moeder. Hij keek naar de hoes aan Cato’s hand en trok zijn bril recht.
‘Gelukt,’ zei hij.
Ze knikte. Er waren veel dingen die ze kon zeggen. Dat het hem niet had gelegen. Dat ze nu snapte wat hij had gedaan. Dat ze blij was dat hij dat zwarte toestel uit de tas had zien komen. Ze had ze in haar hoofd al achter elkaar gezet, waardoor het klonk alsof ze een bedankbrief ging voorlezen.
‘Ik had jou niet de schuld moeten geven,’ zei ze.
Raf keek even naar Farida. Die praatte met Lotte en stond niet op zijn antwoord te wachten.
‘Ik dacht zelf ook even dat ik een verkeerde hoes had gepakt,’ zei hij. ‘Toen jij dat zo zei.’
‘Sorry.’
Hij knikte. Daarna tikte hij met één vinger tegen het nummerkaartje.
‘Deze kun je bewaren.’
Cato keek naar het witte kaartje. Ze had gedacht dat ze het zodra ze thuis was weg zou gooien. Toch maakte ze het koordje voorzichtig los, zonder het papier bij het gaatje te scheuren. Ze schoof het kaartje achter het betaalde strookje in haar portemonnee.
‘Ga je nog naar buiten?’ vroeg Raf.
‘Niet meer langs het hele pad vandaag. Morgen misschien.’
Ze keek naar haar vader. Hij knikte.
‘Wil jij mee?’
Raf boog zich over de hoes. ‘Ik weet niet veel van vogels.’
‘Ik ook niet.’
Hij keek op. ‘Jij praat er wel veel over.’
Dat was zo waar dat ze moest lachen. ‘Je hoeft niet te kunnen zeggen wat het is om te mogen kijken.’
Farida draaide zich om. ‘Morgen kan. Vandaag maken wij dit even af.’
Raf ging naast haar achter de balie staan. Er kwam een vrouw met het nummer van een klein pakje op haar betaalde strookje. Ze had een paraplu onder haar arm en haar fietssleutel tussen twee vingers. Raf vroeg haar nummer, nam het strookje aan en zocht tussen de lichte pakketjes.
Cato bleef rustig aan de zijkant staan. Ze zei niet dat het ene pakje meer op de tekening in het lijstje leek dan het andere. Ze keek naar Rafs handen en wachtte.
Hij vond het nummer, vergeleek het met het strookje en hield het voor Farida. Die keek mee. Daarna gaf hij het aan de vrouw.
‘Dank je,’ zei ze.
‘Graag gedaan.’
Zijn stem klonk weer zoals toen hij vrijdag de deur had opengedaan. Alleen wees hij deze keer niet met zijn hele arm waar iemand heen moest. Hij legde de paraplu, die de vrouw bijna op de balie had laten liggen, naast haar pakje.
Dorus trok zijn jas aan en tilde de bruine tas op. De broodtrommel stak eruit.
‘Ik heb ook mijn koop gecontroleerd,’ zei hij.
‘En?’ vroeg Cato.
‘Leeg. Nog steeds.’
Raf lachte. Hij zei dat hij morgen niet vroeg wilde vertrekken, want hij wilde een keer uitslapen. Cato stelde tien uur voor. Hij vond tien uur geen uitslapen, maar half elf wel. Farida knikte voordat ze er een hele onderhandeling van konden maken.
Buiten stak Cato de hoes in haar jaszak. Hij paste er niet helemaal in. Ze haalde hem eruit en deed hem in de fietstas, onder de sluiting, terwijl Dorus de fietsen van het hek haalde.
‘Voorzichtig met het hangen van die tas,’ zei ze.
‘Ja, mevrouw.’
Ze keek hem aan en hij grijnsde. Ze liet het gaan.
Op de fiets naar huis voelde ze een paar keer met haar hak naar de tas. Niet hard, alleen om te weten dat hij er nog zat. Bij de tweede keer vroeg haar vader wat ze deed.
‘Niks,’ zei ze.
Hij keek naar de tas, toen naar haar, en vroeg het niet nog een keer.