Hoofdstuk 22 van 22
Wie zag hem eerst
Raf kwam zondag met een zak krentenbollen aanlopen.
‘Van mijn moeder,’ zei hij.
‘We zijn nog niet eens weg,’ zei Cato.
‘Ik moest ze meenemen. Niet meteen opeten.’
Hij hield de zak toch even open. Cato zag de platte bovenkant van een bol en deed de zak weer dicht voordat ze alle drie aan het ontbijt begonnen terwijl ze eigenlijk naar buiten gingen.
Het was half elf. Haar vader stond met zijn jas aan in de gang, maar moest nog terug voor zijn huissleutels. Raf keek naar Cato’s schoenen. Ze had de veters dubbel gestrikt.
‘Is dat nodig?’
‘Ze gingen gisteren los.’
Hij knielde en maakte één van zijn eigen veters opnieuw vast.
Cato had de kijker in de zwarte hoes bij zich. Aan de hoes hing geen nummer meer. Het witte kaartje zat in haar portemonnee, samen met het afhaalstrookje.
Dorus kwam terug met zijn sleutels en zijn eigen kijker aan de brede zwarte band. Hij had de nieuwe broodtrommel gewassen. In zijn tas lag er een papieren zak met twee boterhammen in. Cato had gevraagd waarom hij die dan in de trommel deed.
‘Omdat ik hem heb,’ had hij gezegd.
Ze namen het pad langs de sloot. Op vrijdag was het er bijna leeg geweest. Nu kwamen er twee mensen met een kinderwagen aan en liep een hond aan een zo lange lijn dat ze alle drie even achter elkaar moesten gaan lopen.
Raf liet de hond eerst langs. Het dier probeerde zijn neus bij de zak krentenbollen te krijgen.
‘Die hoef jij niet,’ zei Raf.
De hond was het er niet mee eens, maar zijn mens liep door.
Bij het bankje haalde Cato de kijker uit de hoes. Het rode lusje lag over haar wijsvinger. Ze stak er niet haar hele hand door; ze wist inmiddels hoe kort het was. Ze hield de buizen gewoon met twee handen vast.
‘Waar gaan we kijken?’ vroeg Raf.
Cato keek naar haar vader. Hij wees niet meteen. Hij zette zijn tas op het bankje en haalde eerst de broodtrommel eruit. Raf ging naast hem staan met zijn zak.
‘Jullie gaan alleen maar eten,’ zei ze.
‘Dat doe ik ook thuis,’ zei Dorus. ‘Kijken kan ik erbij.’
Er zaten vogels in een kale struik aan de overkant. Kleine donkere vormen die steeds naar een ander takje sprongen. Cato koos één plek en bracht de kijker omhoog. Het duurde even voordat het beeld weer goed voor haar ogen paste. Ze schoof de helften rustig passend en draaide het middenwiel tot de tak scherp werd.
Een vogel streek ernaast neer.
Ze zag hoe zijn tenen om het takje sloten. Zijn kop draaide een klein stukje. In de buurt van zijn hals bewogen veertjes die ze zonder de kijker niet eens als losse veertjes had kunnen zien.
‘Daar,’ zei ze.
Haar vader kwam overeind. Hij keek met zijn eigen toestel dezelfde kant op.
Raf bleef bij het bankje staan. ‘Waar is daar?’
Cato hield de kijker nog even voor haar ogen. Ze kon nu nog één tel blijven kijken. Ze hoefde hem niet meteen kwijt omdat iemand anders hetzelfde wilde zien.
Toen liet ze hem zakken en wees naar de struik.
‘Die tak die bijna recht omhoog gaat. Daaronder.’
Raf keek en kneep zijn ogen samen. Hij zag het niet. Cato gaf hem de kijker en legde haar hand niet over de zijne om hem goed te richten. Ze wees nog een keer.
Hij tilde hem op, draaide hem weer omlaag en keek naar de achterkant.
‘Zo dus,’ zei hij.
‘Ja.’
Hij hield hem opnieuw voor zijn ogen. Zijn ellebogen stonden breed uit. Hij keek langs de struik en toen naar de grond eronder.
‘Ik zie heel veel takken.’
Dorus liet zijn eigen kijker zakken. ‘Eerst zonder toestel zoeken. Anders zijn het inderdaad erg veel takken.’
Raf probeerde het opnieuw. Hij vond de omhoogstekende tak en hief de kijker terwijl hij daarheen bleef kijken.
‘O.’
Cato wachtte.
‘Is dat een vogel?’
‘Als hij beweegt wel ongeveer,’ zei ze.
Hij lachte en het beeld schudde. Hij zette zijn voeten iets verder uit elkaar, werd stil en bleef kijken.
Ze ging naast hem staan. Met haar blote ogen kon ze nu ook het kleine puntje aan de tak volgen. Ze had Raf nog nooit zo lang naar één ding zien kijken zonder dat hij ondertussen iets erover zei.
‘Hij is dikker dan ik dacht,’ zei hij ten slotte.
‘Dat ligt misschien aan hoe hij zit.’
‘Of hij heeft ook krentenbollen gehad.’
Hij gaf de kijker terug. Cato pakte hem bij de buizen aan en keek nog even. De vogel sprong naar een lager takje, dook half achter de stam en was toen weg.
‘Deze heb ik wel gehad,’ zei ze.
Dorus glimlachte. Hij deed de broodtrommel open en gaf Raf een boterham voor hij zijn eigen brood uit de zak haalde.
Raf hield de boterham in de ene hand en zijn zak in de andere. ‘Dan moeten we straks weer lopen. Anders komen we nooit verder dan dit bankje.’
Ze gingen op het droge deel van de zitting zitten. Cato legde de kijker in haar open hoes naast haar, niet los op het bankje. De kale plek onder de linker buis was even zichtbaar voordat ze de rits dichttrok.
Raf keek naar de hoes.
‘Ik moest gisteren nog een pakje helpen geven toen jullie weg waren,’ zei hij. ‘Aan een man die niet wist hoe hij zijn nieuwe lijst op de fiets moest krijgen.’
‘Een lijst met nummers?’
‘Een schilderijlijst.’
Ze grinnikten allebei. Raf deed voor hoe de man de lege lijst eerst over zijn stuur wilde hangen. Farida had hem een stuk koord gegeven en gezegd dat ze de fiets beter even mee aan de hand konden nemen. Raf had de hoek vastgehouden tot de man goed kon dragen.
‘Dat was dus wel een zwaar pakje,’ zei Cato.
‘Een lichte hoek. De man droeg de rest.’
Hij pakte een krentenbol. De zak ritselde zo hard dat Dorus midden in zijn hap opkeek naar de struik, alsof daar plotseling een heel grote vogel in zat.
Toen ze verderliepen, bleef Cato niet steeds om de paar stappen staan. De kijker zat in zijn hoes en ze hield het hengseltje vast. Ze konden ook gewoon lopen. Raf vertelde hoe de lamp nu bij Farida’s bed stond en hoe zijn moeder hem gisteravond drie keer had aangedaan om te controleren of hij daar werkelijk het juiste licht gaf.
‘Hij ging gewoon steeds aan,’ zei hij.
Verderop sloeg het pad een bocht om het veld. Cato zag boven op een paal iets bewegen. Ze hield haar hand voor Raf omhoog en wees. Niet zoals Anja met de hamer, gewoon om hem de plek te laten zien.
Hij bleef naast haar staan toen ze de kijker pakte.
Door het glas kwam een donkere kop tevoorschijn, scherp boven het ruwe hout. Cato draaide nauwelijks aan het wiel. Er zat iets lichts aan de zijkant van de vogel. Ze wist niet meteen hoe hij heette.
‘Ik zag hem eerst,’ zei Raf.
Cato liet de kijker een klein stukje zakken. ‘Ik wees hem aan.’
‘Maar ik keek er al naartoe.’
Dorus was een paar passen verder gaan staan. Hij hield zijn eigen kijker voor zijn ogen.
‘Hij zit er nog,’ zei hij.
Cato hief de hare weer. Raf wachtte naast haar. Het rode lusje tikte tegen haar vingers toen ze de kijker iets verplaatste, en de vogel bleef in beeld.
