Hoofdstuk 47 · 6 minuten lezen
Al het verkeerde weer
De tuinlucht was niet alleen maar aangenaam.
Hij rook naar peren, ja, en naar nat blad, maar ook naar aarde, een beetje rotting en de scherpe vochtigheid onder een oud houten hek. Er dwarrelde een piepklein bleek snippertje op het terugvoerdoek. Misschien was het ooit een stukje bloemblaadje geweest. Het was geen teken of boodschap. Het was iets wat de lucht had meegevoerd toen opa haar ving.
Dat maakte het juist mooier.
Agnes liet de vierde lus uitwerken. Door de opengeknipte mouw was de volgende steun makkelijker te plaatsen. Wat er als schade uitzag, gaf ook toegang. Dat hoefde niet te betekenen dat het verlies van de oorspronkelijke naad geen pijn deed.
De vijfde terugvoer ging open in zonlicht.
Een klein plasje helder licht verspreidde zich over de binnenvoering en verwarmde de stof eronder. Tegen de grijze middag buiten zag het er bijna belachelijk vrolijk uit. Stan kneep zijn ogen samen en bewoog zijn hoofd weg uit de weerkaatsing.
‘Dat krijg je als mensen de mooiste stukjes bewaren,’ mompelde hij. ‘Geen enkel respect voor iemand die een bevestiging probeert te bekijken.’
Eli lachte. Ik ook, waardoor mijn hand even bewoog.
‘Eerst je handen,’ zei Agnes glimlachend, zonder haar blik van de naad te halen.
De zon hield minder lang aan dan ik had verwacht. Ik had gedacht dat een opgeslagen dag bij het ontmantelen iets groots zou zijn. In plaats daarvan was ieder stukje kort, eigen en een beetje lastig buiten zijn oorspronkelijke plek. De warmte kwam tegen vochtige stof. Door het licht konden we minder goed zien. Dat iets mooi was, maakte het niet vanzelf bruikbaar voor de volgende handeling.
Toen de vijfde lus leeg was, verdonkerde de voering weer tot haar gewone kleur.
De zesde gaf koele schaduw.
Het was de lucht van onder de oude trap. Mae had verteld dat het daar een beetje naar natte schoenen rook. De temperatuur zakte, zonder de gevaarlijke kou die we op de volkstuin hadden gezien. Die eerdere vorst was ontstaan doordat twee banen elkaar in de verkeerde volgorde voedden, niet door dit korte stukje schaduw alleen. Los van de rest was de schaduw gewoon schaduw.
Ik keek naar de genummerde uiteinden. Vier leeg, één net uitgewerkt, de zesde die langzaam ontspande. Drie hielden nog een vorm vast die stof niet hoorde te houden als niemand haar ondersteunde.
Mijn armen deden pijn. Tijdens de afgesproken pauze nam Eli de steun aan onze kant over. Ik schudde mijn vingers los en dronk water. Dat hij het kon overnemen, maakte mijn werk niet minder. Het maakte de volgende stap mogelijk.
Ergens achter de regen klonk zacht versterkte muziek. Mae was begonnen. Ik herkende het begin van een liedje dat mam draaide als ze de keuken schoonmaakte, al nam de wind het meeste mee voordat het refrein ons bereikte.
Even wilde ik zo graag op twee plekken tegelijk zijn dat het pijn deed.
Toen kondigde Agnes de volgende stap aan en keerde ik terug naar de plek die ik had gekozen.
De zevende lus hield zeewind vast.
Die duwde harder dan de eerdere ontladingen en tilde het buitenste uiteinde tegen zijn geleider. De vlaggetjes op het erf wezen nog steeds van ons af, maar de binnenste strook sloeg één keer terug naar de mouw voordat hij tot rust kwam.
‘Pauze,’ zei Eli.
Agnes hield de terugvoer in de veilige, gedeeltelijk geopende stand. Stan verstelde het buitenscherm. Niet om de wind op te sluiten, maar om te voorkomen dat een werveling langs de schuurpaal terug naar het frame stroomde. We keken twee volledige tussenpozen lang voordat we verdergingen.
Ik was blij dat Eli als eerste iets had gezegd. Misschien had ik nog een seconde gewacht, in de hoop dat het te klein was geweest om mee te tellen. Zo begonnen fouten verhalen te worden waarin niemand voorlopig iets onredelijks had gedaan.
De zeewind trok voorbij. Een touwuiteinde tikte tegen het scherm in een ritme dat me aan Agnes' eerste telefoontje vanaf de boot deed denken. Ik stelde me voor hoe ze weer op het water was. Niet omdat de jas me iets had laten zien, maar omdat ze had verteld wat ze wilde en ik het me eindelijk begon voor te stellen zonder halverwege een noodoproep in te voegen.
Zeven.
De achtste was het stukje storm.
Daarvoor hadden we de breedste terugvoer voorbereid. De opvangbak was leeg en de uitgewerkte uiteinden zaten ruim uit de weg vast. Het was geen complete storm, al nodigde die naam uit om je van alles voor te stellen. Het was een geconcentreerd stukje veranderende lucht: vochtige druk, een vlaag koelte, dan regen die erdoorheen trok zoals het oorspronkelijke weer ooit langs een bovenraam was getrokken.
Het geluid vulde het overdekte frame.
Een paar seconden kon ik de muziek buiten het erf niet horen. Water sloeg op het ruwe doek en liep de bak in. De buitenstof van de jas werd donkerder. De opengeknipte mouw kleefde aan de steun, met de blauwe rand duidelijk zichtbaar naast de fijne oude steken.
Agnes lette op de actieve terugvoer. Stan op het frame. Eli op de uitlaat. Ik op de kruisingen ertussen.
Zo deden we het. Niet door allemaal alles te willen zien, maar door te weten waar de anderen werkelijk naar keken en het te zeggen als er in ons eigen deel iets veranderde.
‘Druk neemt af,’ zei Eli.
‘Steun houdt,’ antwoordde Stan.
‘Volgende kruising vrij,’ zei ik.
De regen werd dunner, tot er alleen losse druppels vielen. De lucht werd iets warmer. Agnes wachtte door na het schijnbare einde. Ze telde terwijl ze naar de voering keek, niet alleen naar de klok.
Geen terugkeer naar het begin.
Acht.
De laatste lus lag bij de zoom, warm genoeg om de rand van de stof op te tillen. De westmuur in de avond. Opa's lievelingslicht, als zijn schilderijen van de winkel als bewijs mochten dienen. Hij had dit stukje langer gemaakt dan Mae had gevraagd. Het einde had hij naar een nieuw begin geleid, omdat hij vond dat iets goeds beschikbaar moest blijven.
Agnes keek naar me.
‘Hierna de gewone strook.’
‘Ik weet waar die hoort.’
Deze keer betekenden die woorden iets wat ik kon laten zien.
We openden de negende terugvoer.
Langzaam verspreidde de warmte zich door de stof die leegliep, zacht als het laatste plekje zon op een stenen trede. Ze bereikte mijn handen en ik merkte hoe koud die van het vochtige hout waren geworden. Ik wilde er even in blijven.
Dat deden we. Precies zolang de warmte aanhield.
Toen begon ze te verdwijnen.