Hoofdstuk 1 · 6 minuten lezen
Zon met een bijbedoeling
Op de ochtend dat het in onze winkel begon te regenen, kocht een vrouw bij mij voor zes pond aan zon om haar zus mee af te troeven.
“Acht minuten,” zei ik tegen mevrouw Pelling. Ik legde het gele pakje op de toonbank. “Open het naast de planten. Niet erboven.”
“Die van mijn zus krijgen er elf.”
“Haar raam ligt op het zuiden.”
“Ja, nou. Ze trouwde met een man met een accountant.”
Ik wist niet hoeveel mensen er precies bij dat huwelijk betrokken waren, dus ik liet het maar zo. Mevrouw Pelling bekeek het pakje alsof er onderop misschien betere zon verstopt zat. Buiten probeerde het busje van de bakker een bocht te nemen die het al elke dinsdag probeerde te nemen zolang ik me kon herinneren. Een meeuw stond op de stoep toezicht te houden.
“Werkt het ook door glas?” vroeg ze.
“Niet goed. Het glas verstrooit de zon zodra die vrijkomt. Zet de pot buiten, gebruik een standaard en laat het pakje niet onbeheerd achter.”
“Je klinkt precies als je tante.”
Ik probeerde niet te laten merken dat ik dat fijn vond. Tante Agnes had me voor drie dagen de winkel toevertrouwd, met een lijstje van wat ik mocht verkopen, twee noodnummers en de instructie om niets met onweer te verkopen. Ook niet aan iemand die zei dat hij het al eerder had gekocht.
Ik was zeventien. Sinds mijn zevende hielp ik bij Halden’s Weer & Kleine Reparaties. Toen bestond helpen vooral uit gevallen spelden terugdoen in een blikje waar daarna niemand zijn hand meer in durfde te steken. Drie dagen gewone klanten helpen moest toch binnen mijn mogelijkheden liggen.
De eerste druppel viel naast het pinapparaat.
We keken allebei omhoog.
Boven de kassa zat een natte plek op het plafond. Terwijl we toekeken, vormde zich nog een druppel. Hij groeide en viel in de bonnenprinter.
“Dat zal je dakgoot zijn,” zei mevrouw Pelling.
“Het regent niet.”
“Dan kan het nog steeds je dakgoot zijn.”
Ze sprak met het zelfvertrouwen van een vrouw bij wie ooit drie verschillende mannen de dakgoot verkeerd hadden gerepareerd. Ik trok de stekker van de printer eruit, schoof het pinapparaat naar het andere eind van de toonbank en zette het koekblik onder het lek.
Buiten draaide de bezorger van de bakker zijn raampje omlaag om ruzie te maken met de meeuw.
“Ik betaal contant,” zei mevrouw Pelling.
“Dank u wel.”
Ze telde zes pond af met de bedaarde nauwkeurigheid van iemand bij wie het niet op de bonnetjes van het afgelopen kwartaal regende. Ik legde het pakje in haar hand, precies toen het gedruppel overging in een klein maar vastbesloten straaltje.
“Misschien moet je een groter blik halen.”
“Ik dacht eerder aan een teil.”
“Daar zou je initiatief mee tonen.”
Ze bleef nog even bij de deur staan. Daar hingen drie bellen, omdat opa maar niet had kunnen kiezen welke het uitnodigendst klonk. De middelste was gebarsten. Volgens Agnes zouden klanten denken dat we door een winkelketen waren overgenomen als we hem vervingen.
“Die man die vorige week naar jullie ramen stond te kijken,” voegde mevrouw Pelling eraan toe. “Kwam die voor de dakgoot?”
“Welke man?”
“Grijze jas. Map. Volgens mij was hij aan het meten.”
“Ik weet het niet.”
“Vraag het aan Agnes.”
Ze vertrok met acht minuten zon om haar zus de loef af te steken. Ik haalde de afwasteil.
Voordat ik bij de toonbank was, hield het op met regenen.
Dat was bijna erger.
Een lek hoorde op zijn minst een aanwijzing te geven waar het vandaan kwam. Met een onbetrouwbaar lek kon je de hele middag voor gek staan. Ik stond onder de natte plek, teil in mijn hand, en bekeek het plafond. Daarboven was geen badkamer. Voorin het appartement lag Agnes’ woonkamer, met een droge radiator, drie kwakkelende planten en een fauteuil die ze weigerde te vervangen omdat hij haar rug begreep.
Toen voelde ik het briesje.
Het kwam van achter me, koel en een beetje zoet, en tilde een bonnetje van de toonbank. De achterdeur zat dicht. Het raam aan de voorkant was dichtgeschilderd door iemand die frisse lucht kennelijk een persoonlijke zwakte vond.
Op de werktafel bewoog de blauwe jas.
Niet op een spectaculaire manier. Er zat niemand in. Eén mouw verschoof een paar centimeter, alsof degene die de jas daar had neergelegd nog warm genoeg was om de lucht in beweging te brengen.
Pap had de jas zondag meegebracht, in een kist van oma’s zolder. Oma was haar ‘opgestapelde verplichtingen’ aan het uitdunnen, zoals ze het noemde. In de kist zaten twee oude tafelkleden, een koperen blaasinstrument waarvan de herkenbare onderdelen grotendeels ontbraken, en deze jas, opgevouwen onder een laken.
Gisteren had ik hem uit de kist gehaald. Hij was prachtig: blauw tot je hem tegen het licht hield. Dan kreeg hij de kleur van een mosselschelp. De manchetten waren zacht en langs de kraag zaten piepkleine steken. Bij de zoom was de voering losgeraakt. Ik had er vanochtend twaalf steken in gezet voordat ik de winkel opende.
Twaalf keurige steken. Ik wilde ze Agnes laten zien als ze terugkwam. Ik had me al voorgesteld hoe ze de zoom zou omslaan, de draadspanning controleren en dat kleine goedkeurende geluidje maken waarmee ze iets dat echt goed was prees.
Nu ademde de jas koude lucht de winkel in.
Ik zette de teil neer en liep ernaartoe.
Een bleek bloemblaadje gleed uit de linkerzak.
In de winkel stonden geen bloeiende planten. De dichtstbijzijnde echte boom stond twee straten verderop, achter de tandarts. Het grootste deel van zijn leven werd hij een lastpost genoemd.
Met de rug van mijn vinger raakte ik de voering aan. Die was kouder dan het tafelblad. Onder de plek die ik had gerepareerd, zat een klein, handgeschreven etiket opgevouwen in de naadtoeslag. Met het stompe uiteinde van mijn naaischaar peuterde ik het los.
Opa’s handschrift. Ik herkende zijn stevige hoofdletters en de manier waarop de R ongeduldig naar voren helde.
SLUIT DE TERUGVOER NIET AF.
Ik keek naar de twaalf keurige steken.
Daarna keek ik naar het plafond, waar alweer een druppel ontstond.
Die ochtend had ik gewild dat mijn tante zou vinden dat ik op de winkel kon passen. Ik had ook de etalage opnieuw willen inrichten, met een opvouwbaar frame waar ik schetsen van maakte zonder het iemand te vertellen.
Ik had geen weersysteem willen openen.
De teil begon vol te lopen.