Hoofdstuk 9 van 20
De kant van Bilal
Bilal had een hoek van de mediatheek ingericht voor iemand van vier centimeter hoog.
De kamer paste op de hoek van een tafel, tussen een plant en een bak met kapotte koptelefoons. Hij had van donker karton twee muren gemaakt. Op de achterwand zat een getekend lichtknopje. Een mannetje met te lange armen stond erbij, vastgehouden door een nauwelijks zichtbaar stukje kneedgum.
Saar bleef staan. ‘Hij is groter dan op je telefoon.’
‘In werkelijkheid ben ik ook groter dan op mijn telefoon.’
Ze schoof haar tas van haar schouder. De mediathecaris was boeken aan het scannen bij de balie. Er stonden nog twee leerlingen te praten over een poster die in hun lokaal hing. Verder was het rustig.
‘Tessa zei dat je hier zat.’
‘Ik heb het gisteren al tegen je gezegd.’
Dat had hij. Tijdens een van de pauzes, vlak voor Saar weer naar haar eigen lokaal moest. Ze had toen alleen gehoord dat hij iets niet kon doen aan hun film.
‘Mag ik kijken?’
Hij draaide zijn laptop een beetje naar haar toe. Op het scherm bewoog het mannetje langs de muur. Hij stak een arm uit naar het lichtknopje. De muur schoof weg, de arm werd langer, de man kantelde voorover en bleef met zijn neus tegen de grond hangen.
Saar glimlachte. ‘Dat stukje is goed.’
‘Welk stukje?’
‘Dat hij zo blijft liggen.’
‘Hij komt voorlopig ook niet overeind. Ik heb die andere arm nog niet geknipt.’
Er lagen minstens acht armen in een bakje. Sommige hadden een hand, andere alleen een rond uiteinde. Een had een knik waar de elleboog had moeten zitten. Saar pakte hem op en legde hem weer terug.
‘Hoeveel beelden zijn dit?’
‘Genoeg om heel langzaam te begrijpen dat je niets hebt gedaan.’
Hij liet het nog eens afspelen. Het duurde twaalf seconden. Saar zag nu hoeveel kleine bewegingen erin zaten. Een schoen die niet meteen loskwam. Het hoofd dat iets achterbleef bij de arm. Ze had zelf waarschijnlijk de muur in één keer verschoven. Dan was het alleen een muur die verschoof geweest.
‘Ik dacht dat je dit alleen tussendoor deed,’ zei ze.
Bilal schoof de laptop terug. ‘Ik deed het ook steeds tussendoor.’
Saar trok een stoel bij de tafel. Hij zei niet dat ze weg moest. Dat betekende niet dat ze nu alles kon vragen. Ze keek naar het lijstje naast zijn laptop. Er stond een tekening van een bel en daarachter vijf streepjes. Onder de bel stond een deur.
‘Heb je nog geluid nodig?’
‘Voor een lichtknop die steeds niet aangaat.’
‘Kun je dat niet met een gewone knop doen?’
‘Dat ga ik proberen. Hier zijn de knoppen alleen aan de andere kant van de ruimte. En als ik daar met de microfoon ga staan, denkt iedereen dat ik het licht uitdoe.’
Saar keek naar de balie. ‘Misschien gewoon vragen?’
Hij keek haar zo lang aan dat ze er warm van werd. Toen stond hij op en liep naar de mediathecaris. Die luisterde, wees naar een schakelaar naast haar bureau en hield een hand omhoog naar de twee pratende leerlingen.
‘Een halve minuut stil graag. Er wordt kunst gemaakt.’
Bilal trok een gezicht. De mediathecaris glimlachte niet eens. Ze meende het gewoon.
Saar hield haar telefoon bij de schakelaar. Bilal deed hem een paar keer aan en uit. De lampen boven de tafel gingen niet mee; het was alleen de kleine bureaulamp. Er klonk een heel dun tikje. Meer niet.
‘Nog eens?’ fluisterde Saar.
‘Je hoeft niet te fluisteren als we niet opnemen.’
Ze maakte de opname opnieuw. Bij de derde klik schoof iemand achter hen een stoel. De vierde was schoon. Saar hield hem dicht bij haar oor. Ze kon hem nauwelijks horen.
‘Mag ik dit houden?’ vroeg Bilal.
‘Ja, natuurlijk.’
‘Wil je het even sturen? Anders zit ik vrijdag jouw telefoon te zoeken.’
Saar stuurde hem het bestand. In hun vorige berichten stonden nog de tijden voor de repetitie bij de deur. Nu kwam er iets bij wat niets met haar film te maken had. Bilal keek of het bestand binnenkwam.
Terug aan tafel zette Bilal het geluid harder. De tik werd een klapje, en achter het klapje hoorde je zijn vingers van de knop afgaan. Hij zette het onder de beweging van het mannetje. Klik. Arm. Muur weg.

Saar lachte. De grap was hetzelfde, maar nu leek het alsof het mannetje zelf verwachtte dat die knop iets zou doen.
‘Ik kan je film nu niet komen monteren,’ zei hij, zonder op te kijken. ‘Voor het geval dat je daarvoor kwam.’
‘Nee.’
‘Ik wil deze af.’
‘Snap ik.’
Hij knipte een nieuwe arm uit. Het karton boog om zijn schaar. Saar pakte een van de losse armen en bewoog hem langs de wand. Ze dacht dat die te kort was, tot het mannetje er ineens een heel ongemakkelijke buiging door maakte. Bilal keek en lachte ook.
‘Die bewaren we.’
Saar liet hem op de juiste plaats liggen. ‘Ik weet niet of ik nog iets inlever.’
‘Dat kan toch?’
Ze keek op. Hij had niet gezegd dat ze het moest doen. Alleen dat het kon.
‘Ik zou het wel stom vinden.’
‘Ik ook,’ zei hij. ‘Maar het zou ook stom zijn als die van jou af is en die van mij niet.’
Om kwart over vier ging de mediatheek dicht. Saar hielp de muren in een platte doos leggen. Het mannetje kreeg een eigen envelop. Bilal zette er met potlood een klein hoofd op, zodat hij wist welke kant boven was.
Buiten viel er motregen die je pas voelde als je stilstond. Ze liepen samen naar de fietsenstalling. Bilal zette zijn doos rechtop in zijn fietstas en controleerde tweemaal of hij niet tegen het wiel kwam.
Saar wilde hem aanbieden de doos vast te houden tijdens het fietsen. Dat was onhandig. Hij had hem al goed ingepakt.
Ze zei: ‘Tot morgen.’
Hij knikte. Ze wachtten tot een groepje leerlingen voorbij was en fietsten ieder een andere kant op.