Hoofdstuk 2 van 20
Wie staat waar
Op zondag legde Saar twee schriften op haar bureau. Het ene was voor school. Het andere had ze gekocht voor films, met harde zwarte kaften en papier waarop haar pen niet doordrukte. Tot gisteren stonden er alleen lijstjes in. Films die ze wilde zien. Dingen die ze eens wilde proberen. Een scène in een lift, bijvoorbeeld, terwijl de camera buiten bleef.
Ze schreef boven aan een lege bladzijde: Iemand blijft buiten.
Daaronder kwam een meisje bij een deur. Binnen zaten haar vrienden. Ze zag hen door het glas maar kwam niet binnen. Aan het eind draaide ze zich om. De film zou beginnen met een jas die dichtging en eindigen met dezelfde jas die weer openging, thuis. Dat vond Saar mooi. Ze wist nog niet precies waarom het meisje bij de deur bleef staan. Eerst schreef ze dat de vrienden haar niet meer wilden. Daarna dat ze zelf niet meer bij hen wilde horen. Die twee dingen pasten niet goed op dezelfde bladzijde.
Haar vader tikte op de deurpost. Hij had een stapel schone was in zijn handen.
‘Kan dit ergens?’
Saar wees naar haar bed zonder op te kijken.
‘Er ligt een statief op je kussen.’
‘Dat kan ernaast.’
Hij zette de was op de vensterbank. ‘Of dit kan ernaast. Wat schrijf je?’
‘Een film.’
Hij keek naar de bladzijde. Niet lang genoeg om te lezen, hoopte ze. ‘Gaat het?’
‘Ja.’
‘Mooi.’ Hij maakte een lus van het koptelefoonsnoer los die aan een knoop van zijn mouw was blijven hangen. ‘Die heeft iets tegen mijn trui.’
Toen hij weg was, las ze wat ze had. Twee minuten beeld, misschien. Er moest iemand binnen staan die het meisje wegstuurde. Ze dacht aan Lottes hand op de deurkruk. Schreef een dialoog. Schrapte de helft. Op haar telefoon vroeg Lotte of ze woensdag die lange jas van haar zus zou meenemen.
Dat hoeft niet, schreef Saar. Je groene is goed.
Wat ben ik?
Saar keek naar haar schrift.
Het meisje binnen.
Er kwamen drie stipjes. Ze verdwenen. Even later verscheen er: O. Ik dacht die bij de deur.
Als jij iets zegt, geloof ik het meteen, schreef Saar. Daar heb ik je voor nodig.
Ze stuurde het voordat ze er langer over kon nadenken. Daarna leek het tegelijk een compliment en iets waarvoor ze straks uitleg zou moeten geven.
Maandag bleven ze na school in het tekenlokaal. De docent sorteerde achterin kwasten. Hij vond het goed als ze tot kwart voor vier bleven en de tafel schoon achterlieten. Bilal zette zijn broodtrommel op het raamkozijn. Er lag nog een boterham in die volgens hem waarschijnlijk geen rol in de film wilde.
Lotte las het script met haar jas nog aan. Saar had de woorden uitgeprint. Het gaf iets serieus aan de blaadjes, vond ze, ook al stonden de paginanummers verkeerd en begon het gesprek halverwege de tweede pagina opnieuw bij één.
‘Dus ik zeg: je hoeft niet overal bij te horen.’ Lotte keek op. ‘Waarom?’
‘Omdat jij haar buiten wilt houden.’
‘Maar waarom mag ze niet binnen?’
‘Dat hoeft niet helemaal uitgelegd.’
Lotte las verder. Haar wenkbrauwen bewogen. ‘Ik vind haar wel een beetje naar.’
‘Het duurt drie minuten. Je kunt niet van iedereen de hele jeugd vertellen.’
‘Dat vraag ik ook niet. Misschien heeft ze iets gedaan.’
Saar draaide haar pen tussen haar vingers. In haar hoofd was het meisje bij de deur iemand die een avond niet kwam. Dat gebeurde gewoon. Mensen stopten met vragen of je mee wilde. Ze sloegen je naam een keer over en deden het daarna weer. Je hoefde er geen misdaad voor te plegen.
‘Misschien vinden die anderen haar gewoon niet leuk meer,’ zei ze.
‘Dan kan ik dat toch een beetje laten zien? Dat ik haar eerst nog wel leuk vond?’

‘Dat kun je spelen.’
‘Als ik weet wat ik moet spelen.’
De docent zette een pot kwasten onder de kraan. Het water sloeg hard tegen het metaal. Saar wachtte tot hij de kraan weer dichtdraaide. Het was moeilijker om iets uit te leggen als iemand op een meter afstand stond af te wassen.
Bilal trok het onderste vel onder Lottes hand vandaan. ‘Wie is het meisje buiten?’
‘Dat wilde ik aan iemand van de groep vragen.’
‘Je kunt het ook zelf doen,’ zei Lotte.
Saar schudde meteen haar hoofd. Ze wilde achter de camera staan. Haar eigen gezicht op het scherm maakte dat ze alleen nog naar haar gezicht keek. Naar haar mond die scheefging als ze nadacht. Naar de manier waarop ze haar handen tussen haar knieën schoof. De film zou verdwijnen.
‘Ik moet de opname doen.’
‘Dat kan ik ook even,’ zei Bilal.
‘Ik zie het anders.’
Hij keek haar aan en legde het blad neer. ‘Dan kan Jules. Die wilde wel spelen. Hij deed alsof een stoel met hem praatte, dat was behoorlijk overtuigend.’
Lotte glimlachte. Saar herinnerde zich Jules aan de andere kant van de ateliertafel, toen Tessa vroeg of ze dertig seconden konden filmen zonder iets te zeggen. Hij had in die tijd een ruzie met een klapstoel gekregen en verloren.
‘Dat kan,’ zei ze. ‘Maar dan verander ik het in een jongen.’
‘Hoeft niet van mij,’ zei Bilal.
Ze werkten tot de docent de laatste pot op het rek had gezet. Lotte probeerde de zinnen zachter. Bilal las de andere rol met zijn rug tegen de radiator. Bij een pauze die Saar eerst te lang vond, veranderde er iets in de kamer. Het gesprek werd ongemakkelijk zonder dat iemand harder praatte. Ze zette een streepje naast die regel.
Toen Lotte vroeg of de laatste afwijzing toch anders kon, schreef Saar een tweede zin onder de eerste. Ze zou later kiezen.
Op de gang stonden ze voor de fietsenstalling. Lotte belde haar zus om te zeggen dat haar lange jas nog bij hen in de gang hing. Bilal liet Saar een foto zien van een mannetje dat hij zelf had getekend, met veel te lange armen.
‘Die probeert een lamp aan te doen,’ zei hij. ‘Maar elke keer dat hij erbij kan, verschuift de muur.’
Saar keek naar het mannetje. ‘Leuk.’
‘Ik wil er woensdag wat aan werken.’
‘Na onze repetitie, toch?’
Hij stopte zijn telefoon weg. ‘Ja. Als dat kan.’
Lotte had haar zus aan de lijn en hoorde het niet. Saar haalde de camera uit haar tas om te controleren of de accu nog vol was. Drie groene streepjes. Ze voelde zich opeens veel verder dan zondag, toen er op haar bladzijde alleen nog iemand voor een deur stond.