Hoofdstuk 16 van 20
Nog één opname
Ze zaten met z’n drieën in de gang van mevrouw Vink. Saar op de onderste traptrede, Jules op het krukje naast het schoenenrek en mevrouw Vink op de enige stoel waar nog niets op lag. De bloemen stonden weer in de fles. Eén tulp hing schuin over de rand alsof hij liever ergens anders naartoe wilde.
‘Ik kan tot halfvier,’ zei mevrouw Vink. Ze zei het niet boos. Dat maakte de klok niet langzamer.
Saar keek naar haar lijst. Ze hadden een goede kennismaking bij de ruit. Een goed stuk waarin de deur openging. Twee halve opnamen van het overhandigen van de bloemen. Voor de rest had ze dingen die bijna goed waren.
‘Als het zo stopt, kunnen we het buiten opnieuw doen.’
Jules trok aan de natte rand van zijn jack. ‘Ik blijf wel even nat.’
Saar voelde aan haar eigen mouw. De regenvlekken waren donker en duidelijk. Als hij zo bij de verkeerde deur stond en even later droog naar de goede deur liep, zou je het zien.
‘Dan moeten we alles nat maken.’
Jules keek naar de fles. ‘Dat lukt alvast goed.’
Saar lachte niet. Hij zette de fles voorzichtiger neer. Ze zag het en voelde zich meteen onaardiger dan ze zich wilde voelen.
‘Ik bedoel de eerste opnamen,’ zei ze.
‘Kun je het eerste stuk niet hier onder dat dakje doen? Dat ik mijn zin oefen terwijl ik wacht tot het ophoudt? Dan ben ik al nat.’
Saar keek naar de kleine ruit naast de voordeur. Daar kon je jezelf in zien, schuin en een beetje vervormd. Niet zo mooi als bij haar eigen huis. De bloempot stond ervoor en in de weerspiegeling zat een rand van de kapstok.
Ze stond op en hield de camera ervoor. Jules kwam naast haar staan. Hij hoefde niet heel te zien te zijn. Alleen zijn gezicht, een hand bij zijn boord en het boeket dat ineens veel te groot leek voor het smalle stukje droogte.
‘We moeten dan wel doen dat je nog niet aanbelt.’
‘Ik sta te wachten. Dat kan ik inmiddels heel goed.’
Mevrouw Vink pakte de deurkruk. ‘En ik moet dichtblijven tot jullie klaar zijn?’
Saar knikte. ‘Als dat kan.’
‘Dat kan ik heel goed.’
Ze deed de deur dicht. Saar zette het statief zo dat het helemaal onder de luifel stond. De poten stonden korter. De blauwe markering zat nu hoger dan de uitgeschoven delen, maar de camera bleef stevig. Jules moest iets door zijn knieën zakken om zichzelf in het glas te zien. Dat vond hij geen probleem. Zijn personage wilde zo nodig een deftige houding aannemen; dan kon hij beter eerst even heel ongemakkelijk staan.
Ze namen de oefentoespraak opnieuw op. De regen was hoorbaar, zacht achter zijn woorden. Eén druppel liep van zijn haar langs zijn slaap. Hij veegde hem weg zonder het boeket los te laten. De tulpen gingen mee. Saar zag op het scherm hoe hij probeerde waardig te blijven terwijl een bloem hem weer langs zijn oor streek.

Ze keek niet naar de oude opname om te vergelijken. Ze hield deze.
Daarna belde Jules aan. Mevrouw Vink deed op het goede moment open. Ze nam de bloemen over en draaide zich een beetje om, zoals afgesproken. Jules begon over zijn kennismaking. Ze dacht dat hij bij de bezorging hoorde en vroeg of hij nog een handtekening nodig had.
Dat stond niet letterlijk op hun blaadje. Saar moest haar lach inhouden. Ze liet de opname uitlopen en keek het stukje met hen terug.
‘Mag dat zo?’ vroeg mevrouw Vink. ‘Het schoot me ineens te binnen.’
Jules knikte. ‘Dan weet ik waarom ik zo kijk.’
Ze deden nog één opname van zijn reactie bij het kaartje. Daar stond de naam van het meisje op, maar naast de deur hing Vink. Jules keek van de ene naam naar de andere en deed een stap terug. De verkeerde bel. De bloemen nog bij de verkeerde persoon.
‘Wilt u ze misschien weer teruggeven?’ vroeg hij in de film.
Mevrouw Vink trok haar wenkbrauwen op. Toen pakte ze het boeket van de kapstokplank en gaf het terug alsof het een verdwaalde paraplu was.
Om drieëntwintig over drie zette Saar de camera uit. Ze hadden alles met mevrouw Vink. Ze bedankten haar en pakten het statief in. Jules droeg de bloemen in zijn hand, met de fles in de andere. Mevrouw Vink kwam met haar jas naar buiten en vroeg of ze zaterdag nog moest reserveren. Saar vertelde dat Tessa een gastenlijst had. Ze zou haar naam doorgeven.
Terug bij Saars huis trok Jules zijn schoenen uit voor het stukje dat hij binnen moest lopen. Zijn sok had een natte plek. Ze zouden alleen zijn bovenlichaam filmen zodra de deur openging; de schoenen bleven buiten beeld. Geen probleem, behalve dat hij zijn evenwicht verloor toen hij met één sok op de mat bleef plakken.
Bij de eerste poging vergat Saar haar zin. Ze stond achter de open deur met een hand tegen het hout en hoorde alleen zichzelf ademhalen. Jules keek de lens voorbij, naar de plek waar in hun film zijn vriendin zou staan.
‘Ik ben Daan,’ zei hij.
Saar begon te lachen. ‘Wacht. Nog eens.’
Ze deden het opnieuw. Deze keer zei ze: ‘Dat weet ik toch.’ Hij trok zijn schouders op en glimlachte. Geen heel mooie glimlach. Vooral opgelucht. Hij stapte naar binnen, stootte met het boeket tegen de deurpost en ving één los blaadje op.
Saar liet het beeld van de lege deuropening nog drie seconden doorlopen en stopte.
Jules keek haar aan. ‘Binnen.’
Ze knikte. Het was tien voor vier. De bloemen waren nog net toonbaar. Ze hadden alle beelden, en nog iets meer dan twee uur om er een film van te maken.