Hoofdstuk 3 van 20
Nog één keer van de glijbaan
De boterham van Fen bleef aan haar bord plakken. Ze had hem met de verkeerde kant naar beneden gelegd toen ze de pot chocoladepasta dichtdraaide.
Mila zat naast haar op het gras en hield een banaan als een telefoon tegen haar oor.
‘Ja, we komen eraan,’ zei ze.
‘Wie is het?’ vroeg Fen.
‘Het zwembad. Ze vragen waar we blijven.’
Fen maakte de boterham los. Er bleef een bruine afdruk op het gele bord achter. Ze veegde er met haar vinger overheen en keek naar de tas bij de caravandeur. Haar badpak zat erin, op haar handdoek. Ze was al twee keer gaan kijken.
Michiel en Koen stonden bij de fietsen. Ze pompten banden op en wisselden een kleine fietspomp uit die niet goed op alle ventielen paste. Judit had de route op haar telefoon bekeken. Romy deed broodjes in een trommel die iedere keer weer opensprong als ze er iets bij stopte.
Het zwembad lag aan de rand van het dorp. Toen ze er aankwamen, kon Fen de glijbaan al boven de struiken zien. Er liep een jongen de trap op die bij iedere trede zijn zwembroek omhoogtrok. Boven stond hij stil om te kijken waar zijn vrienden waren. Een toezichthouder wees hem door.
‘Eerst omkleden,’ zei Judit, voordat Fen iets had gevraagd.
In het hokje kreeg Fen haar T-shirt niet over haar natte haar. Ze had onder een kraan bij de ingang gestaan, omdat ze het zo warm had. Nu bleef de stof onder haar neus hangen.
‘Ik zie je voeten,’ zei Mila van de andere kant van het schot.
‘Dan weet je waar ik ben.’
Fen trok nog een keer. Ze kwam los en stootte met haar elleboog tegen de wand. Het klonk veel harder dan het pijn deed.
‘Gaat het?’ vroeg Mila.
‘Ja. Ik ben alleen heel luid aan het omkleden.’
Ze legden hun handdoeken onder een boom. Fen had de plek uitgezocht omdat daar nog bijna niemand lag. De schaduw was klein, maar als ze haar hoofd op haar tas legde, viel haar gezicht er net in.
Mila zette haar slippers naast elkaar. ‘Daar straks ijs?’
Fen volgde haar blik naar de kiosk. Hij was nog dicht. Er hing een bordje aan, maar van hier kon ze de letters niet lezen.
‘Eerst zwemmen.’
Het water pakte haar benen koud vast. Ze stapte twee treden terug en bleef een ogenblik staan. Mila was al tot haar middel het bad in gelopen en liet zich achterover zakken. Haar vlecht dreef als een los zwart touw naast haar hoofd.
‘Kom dan.’
Fen schepte water tegen haar armen. Achter haar wilde een klein meisje de trap op. Fen schoof opzij en ging ten slotte helemaal het bad in.
Na een paar baantjes was het niet koud meer. Ze bleven bij de rand hangen, kin op hun handen, en keken hoe een man heel langzaam voorbijzwom. Hij hield zijn hoofd zo hoog boven water dat zijn nek bijna achteroverboog.
‘Dat is mijn vader later,’ fluisterde Mila.
Koen zwom even verderop langs met zijn kin net boven water. Zijn bril hing aan het koordje op zijn borst.
‘Of nu al,’ zei Fen.
Mila trok haar mee naar het ondiepere gedeelte. Daar dreef een grote gele mat. Ze kregen hem allebei aan één kant vast en probeerden erop te klimmen. Als Fen haar knie erop legde, ging Mila’s kant omhoog. Als Mila erop kroop, kreeg Fen een mond vol water.
‘Wacht nou even.’
‘Ik wacht.’
‘Je trekt.’
Mila liet los. De mat schoof onder Fen vandaan. Fen zakte met haar schouders onder water en kwam hoestend omhoog.
Het lachen maakte het er niet gemakkelijker op. Ten slotte hield Mila de rand vast terwijl Fen erop ging liggen. Daarna schoof Fen naar het midden en kon Mila erbij. Ze lagen met hun voeten in tegengestelde richtingen. Het gele plastic rook een beetje naar de binnenkant van een zwemband.

Fen stak haar hand in het water en trok hen een klein stukje vooruit.
‘Zo wil ik de hele dag blijven.’
‘Niet de hele dag,’ zei Mila. Ze keek naar de glijbaan.
Ze gingen drie keer. Fen moest haar armen telkens goed tegen haar lichaam houden om niet met haar elleboog langs de rand te schuren. Beneden kwam ze zo snel in het water terecht dat ze pas terug bij het trapje kon zien waar Mila was.
De vierde keer bleef Fen beneden staan.
‘Ik ga even naar de handdoeken.’
‘Nog één keer!’ riep Mila, die al met één voet op de trap stond.
Fen stak haar duim op en ging terug naar de boom.
Haar hoofd paste niet meer in de schaduw. De zon was verplaatst. Fen trok de handdoek een stukje opzij en ging liggen met haar tas onder haar oor. Ze hoorde Michiel en Romy over een boek praten. Er zoemde iets vlak langs haar wang. Ze wuifde zonder haar ogen open te doen.
Toen Mila niet kwam, ging Fen rechtop zitten.
Bij de glijbaan zag ze drie meisjes met bijna dezelfde kleur badpak. Geen van drieën had een zwarte vlecht. Fen keek naar de trap, de kiosk en het bad. Ze stond op.
Judit lag op haar buik een tijdschrift te lezen.
‘Mila zou nog één keer gaan,’ zei Fen.
‘Ze stond daarnet bij het andere trapje. Misschien wacht ze daar.’
Fen liep langs het water. Mila stond bij de korte trap, armen over elkaar. Haar neus was rood van het wrijven.
‘Waar was jij?’ vroeg ze.
‘Handdoeken.’
‘Ik dacht hier. Jij wees hierheen.’
Fen had naar hun boom gewezen. Tenminste, dat dacht ze. Vanaf de glijbaan kon het vast anders lijken.
‘Kom,’ zei ze. ‘Er zijn broodjes.’
Mila liep mee. Ze had honger gekregen en nam meteen het broodje dat Romy haar aangaf. Er stak een hoek kaas uit die aan het papier bleef plakken.
‘Straks nog één keer die mat,’ zei Fen.
‘En de glijbaan.’
‘Eerst de mat.’
Mila slikte. ‘Ja. Maar niet op je buik erop springen, want dan lig ik er meteen weer af.’
Die middag lukte het ze een hele tijd om samen op de mat te blijven. Later ging Fen nog één keer mee van de glijbaan. Ze telden de treden. Mila telde er twee meer, omdat Fen ergens opnieuw was begonnen.
Op de terugweg had Fen haar natte handdoek in een plastic tas op haar bagagedrager. Bij iedere bocht tikte de tas tegen haar kuit. Ze was loom van het zwemmen. Toen de caravans weer tussen de bomen verschenen, voelde ze toch meteen iets opspringen.
De gele tent stond in het gras zoals ze hem hadden achtergelaten.
Mila keek opzij. ‘Zullen we onze slaapzakken even openleggen?’
Fen knikte. Dit was de dag geweest die ze hadden afgesproken. Nu kwam de nacht.