Hoofdstuk 11 van 20
Zand en haren
Mila stond op om een stoel bij te schuiven. Fen liet zich erop zakken en deed haar rugzak tussen haar voeten.
‘Echt heel veel,’ zei ze.
‘Meer dan twintig?’
‘Misschien.’
‘Meer dan honderd?’
Fen wist het niet. Ze had niet eens gezien waar de kudde begon. Ze had alleen gedacht dat hij op een gegeven moment moest ophouden.
Judit zette twee glazen water op tafel. Fen nam het ene met allebei haar handen aan. Ze dronk tot ze weer moest ademhalen.
‘Je had toch een fles?’ vroeg haar moeder.
Fen duwde haar rugzak met haar hiel naar voren. ‘Die is bijna leeg.’
Haar moeder keek niet in de tas. Ze ging zelf ook zitten en strekte haar benen onder de tafel. Aan één schoen zat een dikke streep zand.
Fen wilde meteen vertellen over het kleine schaap bij het paaltje, maar toen moest Mila eerst weten waarom ze daar met de hele groep stonden. Fen ging rechtop zitten en deed voor hoe Anouk haar hand had opgestoken.
‘Zo. En toen kwamen ze dus allemaal de hoek om.’
‘Die schapen.’
‘Ja, niet de mensen. Die waren er al.’
Ze maakte een beweging die de hele breedte van het pad moest voorstellen. Daarbij tikte ze bijna tegen haar glas. Mila schoof het een stukje opzij.
‘En mijn moeder had nog een broodje.’
Judit keek over de rand van haar eigen glas. ‘Daar had ik voor betaald.’
Fen hield een denkbeeldig broodje voor haar mond en bleef zo zitten. Ze trok haar wenkbrauwen op en keek met grote ogen over het veld.
Mila begon te lachen.
‘Ik stond niet zo,’ zei Judit.
‘Bijna.’
‘Jij stond ook met je mond open. En je had niet eens iets te eten.’
Fen wilde protesteren, maar eigenlijk wist ze niet hoe ze zelf had gekeken. Ze had alleen geprobeerd ieder schaap te zien voor het alweer achter een ander dier verdween.
‘Op het laatst bleef er eentje staan,’ vertelde ze. ‘En iedereen wachtte. Wij, die man, die hond. Hij ging gewoon verder met eten.’
‘Polle kan dat ook,’ zei Mila. ‘Alsof hij niet meer weet dat er iemand op zijn rug zit.’
Ze schoof naar voren op haar stoel en zette haar voeten plat op de grond. Fen keek naar de vlekken op haar broek. Op één knie zat een stoffige veeg in de vorm van een lange komma.
‘Dan wil ik zo gaan doen,’ zei Mila.
Ze duwde haar hele bovenlichaam naar voren en bewoog een beetje op en neer. De stoel kraakte. Mila stopte meteen.
‘Niet echt,’ zei ze, toen Koen opkeek. ‘Ik doe voor.’
Koen knikte en ging verder met het uitrollen van een kabel bij zijn caravan.
‘Aline zegt dat ik juist stil moet blijven,’ zei Mila. ‘Maar als hij dan langzaam gaat, ga ik vanzelf ook iets doen.’
Fen probeerde zich Mila voor te stellen op de bruine pony. Ze zag vooral Mila’s gezicht van maandag, die ernstige kin naar voren.
‘En wat doet Polle dan?’
‘Nog steeds langzaam.’
Mila zei het zo droog dat Fen haar glas neer moest zetten om niet met water in haar mond te lachen.
‘Vandaag ging het wel beter. Bij de tweede keer.’
Ze vertelde over een kleine oefening op het erf en over het meisje naast haar dat telkens de verkeerde naam riep. Niet omdat ze niet wist hoe haar pony heette, maar omdat ze thuis een kat had die bijna hetzelfde heette. Mila had er de hele middag op moeten letten om het zelf niet ook te gaan doen.
Fen vroeg of Polle haar nu herkende.
Mila haalde haar schouders op. ‘Hij herkent de borstels vast.’
Romy kwam naar buiten met een schaal waarin iets afgedekt lag. Ze tilde een hoek van de doek op om te kijken of het eronder nog goed was en zette de schaal weer neer. De geur van warm brood kwam naar Fen toe.
Pas toen merkte ze dat ze ook honger had.
Judit stond op. Fen bleef zitten. Haar benen voelden zwaar, maar niet vervelend zwaar. Ze schoof haar schoenen uit en liet haar sokken over het gras glijden.
Mila keek naar de zandkorrels op het tafelkleed onder Fens hand.
‘Die komen overal uit je.’
Fen sloeg tegen haar knie. Er viel een klein wolkje van haar broekspijp.
‘En bij jou zitten haren,’ zei ze.
Ze plukte een kort, licht haar van Mila’s T-shirt en hield het tegen de lucht. Het was bijna recht en harder dan haar eigen haar.
‘Die krijg je er niet allemaal af,’ zei Mila. ‘Romy heeft vanmiddag al een stukje tape geprobeerd.’
‘Je moeder heet ook gewoon mama, hoor,’ zei Romy van achter de tafel.
‘Ja, maar nu was het voor Fen.’
Romy glimlachte en ging weer naar binnen. Fen liet het haar in het gras vallen. Ze keek naar de donkere lijn van het bos achter de caravans.
‘Er staat daar ook een toren,’ zei ze. ‘Verderop. Die zag ik vanaf die heuvel.’
‘Zijn jullie erin geweest?’
Fen schudde haar hoofd. ‘Hij stond aan de andere kant. Je kon de trap zien, door de palen heen.’
‘Hoe hoog?’
Fen hield haar hand boven haar hoofd, maar dat hielp nergens bij. ‘Boven de bomen.’
Mila volgde haar blik. Vanaf hun stoelen was er geen toren te zien. Alleen toppen die een klein beetje bewogen.
‘Dat wil ik nog een keer,’ zei Fen.
‘Met je moeder?’
‘Misschien. Of zaterdag.’
Mila knikte. Ze legde haar blote voeten naast die van Fen. De ene grote teen had een rood randje waar een naad van haar sok had gezeten.
Ze zaten nog steeds zo toen Michiel de eerste borden op tafel zette. Fen trok haar stoel een beetje naar achteren en Mila schoof de glazen opzij. Niemand hoefde hun te zeggen dat het eten klaar was.