Hoofdstuk 16 van 20
Boven de bomen
Ook zonder wekker was Fen op zaterdag vroeg wakker. Ze hoorde Mila buiten met iemand praten. Ze trok haar gordijntje opzij en zag de vlecht langs het caravanraam bewegen.
‘Ben je al op?’ vroeg Mila.
‘Nu wel.’
Fen haalde haar T-shirt van de stoel. Het voelde koel aan en had een vouw dwars over de buik. Ze trok het over haar hoofd en ging naar buiten.
Aan de tafel stonden de gele en rode bordjes klaar. Judit had brood gesneden. Fen at met haar schoenen nog los aan haar voeten. Ze wilde niet dat het weer een hele ochtend duurde voor ze ergens heen gingen.
Mila had geen haast. Ze smeerde eerst één boterham en daarna nog één. Haar ogen waren kleiner dan gisteren op de manege. Fen dacht even aan wat ze over moe zijn had gezegd en schoof de pot chocoladepasta naar haar toe.
Ze vertrokken toen de zon al over de bovenkant van de caravans kwam. Judit droeg de rugzak. Mila had haar waterfles zelf mee. Fen liep met lege handen en voelde bij iedere stap hoe licht dat was.
Het pad naar de toren ging aan de andere kant van het veld het bos in. Fen had het begin nog niet gelopen. Er stonden lage paaltjes met pijlen. Judit keek een keer op de route die ze bij de receptie had meegekregen en stopte die daarna weg.
Mila tikte met haar vingers langs een lange grasspriet die over het pad hing. Er bleef een druppel op haar hand liggen. Ze hield hem even voor haar gezicht en schudde hem toen af.
‘Is dit ook zo’n zandheuvel?’ vroeg ze.
‘Niet zo groot,’ zei Fen. Ze hoopte dat het waar was.
Het pad boog langs een strook hoge bomen. Daarachter verscheen ineens een schuine lijn van donker hout.
De trap.
Van beneden was de toren veel hoger dan hij vanuit de verte had geleken. Er waren tussenbordessen waar je even kon blijven staan. Bovenaan zat een brede leuning rond een open vloer. Twee mensen leunden ertegenaan. Eén van hen droeg een felgroene jas.
Fen bleef aan de voet staan en keek omhoog tot haar nek moe werd.
‘Zullen we?’ vroeg ze.
Mila antwoordde niet meteen. Ze keek naar een bankje naast de toren. Daar zat een vrouw met een hond. Het dier lag in de schaduw met zijn voorpoten languit. Zijn snuit was bijna wit, maar de rest van zijn vacht was lichtbruin.
‘Mag ik hem aaien?’ vroeg Mila aan de vrouw.
De vrouw knikte. ‘Als hij naar je toe kijkt. Hij heet Hugo.’
Mila hurkte op enige afstand. Hugo tilde zijn kop op en schoof zijn neus naar haar hand. Mila streek voorzichtig over zijn schouder. Zijn staart tikte twee keer tegen de grond.
Fen zette haar voet op de onderste trede.
‘Ga je mee?’
Mila keek op. ‘Ik blijf nog even hier. Kijk hoe zacht zijn oren zijn.’
Fen kon de oren van Hugo niet voelen vanaf de trap. Ze kon wel zien hoe Mila haar hand er voorzichtig overheen liet glijden.
Judit ging op de rand van het bankje zitten en gaf Fen de rugzak met haar vest erin. ‘Ik wacht hier wel. Neem je tijd.’
Fen keek nog eens naar boven. De groene jas was verdwenen. Er kwam iemand rustig de trap af.
Ze deed een stap opzij om diegene voorbij te laten en begon daarna zelf te klimmen.
De eerste treden waren gemakkelijk. Fen kon de leuning goed vasthouden. Door de open zijkant zag ze het bankje naast de trap steeds kleiner worden. Mila zat nu op één knie. De vrouw vertelde iets en wees naar de brede halsband van de hond.
Op het eerste bordes bleef Fen staan. Ze voelde haar hart al sneller gaan, gewoon van het klimmen. Ze keek door de bomen naar het paadje waar ze vandaan waren gekomen.
Er liep nog niemand achter haar. Ze kon verder zodra ze wilde.
Hogerop kwam er wind langs haar gezicht. Ze haalde het vest uit de rugzak en trok het aan. Het was niet koud, maar haar armen kregen kleine rillingen toen ze stilstond.
De laatste trap kwam uit op de houten vloer bovenaan. Fen zette beide voeten erop en liep naar de leuning.
Nu waren de bomen ineens niet meer een wand om haar heen. Ze zag hun toppen van boven. Sommige waren dicht en rond, andere hadden open plekken waar ze doorheen kon kijken. Een tak bewoog en duwde zijn buurman opzij.
Fen leunde met haar onderarmen op het hout.
Daar lag het zand van woensdag. Ze herkende het aan de lichte, kale vlek tussen al het groen. Het leek minder ver dan de wandeling had gevoeld. Een stukje verder zag ze een donker dak, misschien de schaapskooi. Ze wist het niet zeker genoeg om het aan iemand te wijzen.
Aan de andere kant waren daken en een weg. Er bewoog iets geels op, een bus of een vrachtwagen. Fen probeerde opnieuw hun camping te vinden. Geen kans. Ze had niet eens een geel stipje dat ze voor de tent kon aanzien.
Ze keek recht naar beneden, alleen kort. Mila zat nu op het bankje naast Judit. Hugo had zijn kop op haar voet gelegd.

Fen glimlachte en liep naar de andere kant van de toren.
Er stonden geen mensen meer naast haar. Ze hoorde ergens achter zich een vogel, veel dichterbij dan de weg beneden. Ze bleef nog even staan tot de wind haar haar uit haar gezicht trok.
Toen ging ze terug naar de trap.
Beneden wilde Hugo niet opstaan. De vrouw schoof haar tas over haar schouder en sprak hem rustig toe. Het dier keek op, geeuwde en kwam ten slotte overeind. Mila bleef zitten tot zijn kop van haar voet was.
‘En?’ vroeg Judit.
Fen trok haar vest uit. ‘Je kunt het zand zien. En volgens mij dat dak.’
‘Welk dak?’ vroeg Mila.
Fen begon uit te leggen waar ze op woensdag hadden gelopen. Ze stopte halverwege en wees naar de trap.
‘Als je ooit wilt kijken, wijs ik het daar wel.’
Mila knikte. Ze volgde met haar ogen de hond die met zijn eigenaar het pad afliep.
Ze aten hun brood op het bankje. De zon was er net bij gekomen. Fen zat aan de buitenkant, voeten naast elkaar op de grond. Ze voelde de klim nog in haar kuiten.
Toen ze weer naar de camping liepen, hield Mila haar hand met de zachte hondenharen erop voor Fens neus.
‘Zie je. Nu weer andere.’
Fen tikte de haren van haar vingers. Ze waaiden bijna meteen weg.