Hoofdstuk 12 van 20
Alles even naar binnen
Donderdagmiddag viel de eerste druppel op Fens boek. Hij liet een donkere ronde stip achter, precies naast een komma.
Fen keek omhoog. De lucht was al de hele ochtend grijs geweest, maar tot nu toe had dat niets gedaan. Nu viel er nog een druppel. Ze sloeg haar boek dicht en stopte haar duim tussen de bladzijden om de plek te bewaren.
‘Het begint,’ zei Judit.
Ze stonden tegelijk op. Michiel pakte de tuinstoelen. Fen trok een handdoek van de lijn. De ene helft was nog droog; de andere voelde zwaar en koud tegen haar arm. Ze legde hem op de lege stoel onder de luifel en ging de rest halen.
De regen tikte op het caravandak. Aan de overkant kwam Romy naar buiten om een kussen van haar stoel te pakken. Ze keek kort naar Fen en stak haar hand op. Daarna was ze alweer binnen.
Fen vond het eigenlijk wel prettig. Ze had vandaag geen groot plan. Haar benen voelden nog hoe lang ze gisteren had gelopen. In de caravan zou ze haar boek verder kunnen lezen, met het kussen tegen de wand.
Alleen lag dat kussen al onder het been van haar vader, die aan tafel zat te schrijven. Judit had op de bank een stapel wasgoed uitgezocht. Fen bleef in de deuropening staan met haar boek tegen haar borst.
‘Kan ik hier even zitten?’
Judit schoof de stapel opzij. ‘Tuurlijk.’
Fen ging naast haar zitten. Ze las een bladzijde en hoorde de regen harder worden. Ergens klapte iemand een autodeur dicht. De waslijn bewoog achter het raam.
Ze dacht aan hun tent. Daar kon ze helemaal languit liggen, zonder dat iemand langs haar benen moest.
‘Ik ga daar lezen,’ zei ze.
Judit knikte. Ze was bezig twee sokken bij elkaar te zoeken en keek even naar de deur.
Fen wachtte tot de bui zachter werd. Toen liep ze met haar boek onder haar shirt naar het tentje. Ze dook door de opening en trok de rits achter zich dicht tot er onderaan een smalle kier bleef.
Het geluid was hier mooi. De druppels tikten vlak boven haar hoofd en gleden daarna met kleine streepjes naar beneden. De groene bodem was droog. Fen ging op haar mat liggen en zette haar boek op haar buik.
Na een tijdje lag ze niet lekker meer. Mila’s weekendtas was een beetje tegen haar mat gezakt. Fen duwde hem terug. In de hoek bij de deur stonden haar eigen schoenen en een klein tasje met het bord dat ze de vorige ochtend niet had teruggebracht.
Ze ging zitten en begon dingen te verplaatsen. Eerst de tas van Mila. Dan haar eigen tasje. Haar boek mocht niet op de bodem komen, dus legde ze het boven op Mila’s slaapzak. Ze schoof de blauwe zak een stukje opzij zodat ze zelf ruimer kon liggen.
De deur ritste van buiten open.
Fen schrok. Mila stak haar hoofd naar binnen. Er zaten natte druppels op haar wimpers.
‘Hoi,’ zei ze. ‘Mijn boek ligt hier nog.’
Fen schoof haar eigen boek van de slaapzak. ‘Achter je mat.’
Mila kroop naar binnen. Haar laarzen had ze bij de caravan uitgedaan; ze droeg nu slippers die bij iedere beweging een beetje over de bodem schuurden.
‘Wat doet mijn slaapzak hier?’
‘Ik moest er even bij.’
Mila keek naar haar mat. Er stond een tas op. Niet haar eigen tas.
‘Dan zet je die toch bij jezelf?’
‘Daar lig ik.’
‘Ja, maar daar wil ik straks ook kunnen liggen.’
Fen ging rechtop zitten. Ze had eindelijk een fijne plek gevonden. De regen was nog steeds op het dak. Als Mila haar boek pakte en even naast haar kwam zitten, hoefde er niets te gebeuren.
Mila trok de tas van haar mat. Er viel een sok uit die van Fen was.
‘Dat is ook gewoon jouw tas.’
‘Dat weet ik.’
‘Dan zet ik hem bij jou.’
Ze tilde hem naar Fens voeten. Het hengsel kwam tegen Fens boek aan.
‘Kijk nou uit.’
‘Dan leg je dat ook niet op mijn slaapzak.’
Fen pakte het boek vast. Er zat een vouw in de hoek van de omslag, maar die had er al gezeten. Ze drukte hem toch met haar duim plat.
‘Het is ook mijn tent,’ zei ze.
‘Ik weet het.’ Mila haalde haar eigen boek uit de hoek. ‘Ik zit er ook niet de hele dag.’
‘Nee, jij bent er nooit.’
Mila hield op met bewegen.
Buiten liep iemand langs. Fen hoorde de stappen heel duidelijk. Ze wenste dat diegene nog even bleef doorlopen, omdat de stilte in de tent anders zo groot werd.
‘Ik ben iedere middag hier,’ zei Mila.
Fen keek naar de tas bij haar voeten. Het hengsel lag in een boog over haar schoen.
‘Behalve woensdag,’ zei Mila. ‘Toen was jij weg.’
‘Dat was één dag.’
‘Ik zeg toch niet dat je niet mocht?’
Fen voelde haar wangen heet worden. Ze wilde niet over woensdag beginnen. Gisteren hadden ze samen gezeten en gelachen. Dat was juist leuk geweest. Ze wilde hier nu alleen liggen zonder steeds haar spullen te moeten optillen.
Mila drukte haar boek tegen haar knie.
‘Ik wil ook gewoon die ponyweek,’ zei ze. ‘Ik kan daarna niet iedere keer meteen weer iets.’
‘Dat vraag ik nu toch niet?’
‘Je zegt dat ik er nooit ben.’
Fen wist wat ze had gezegd. Het bleef in de tent hangen. Ze kon niet doen alsof Mila het verkeerd had gehoord.
De rits bewoog in de wind. Er tikte een druppel op de bodem bij de ingang. Fen keek ernaar.
‘We kunnen hier straks toch niet slapen als het zo vol is,’ zei ze.
Mila keek naar het blauwe matje. Het lag onder de slaapzak, scheef tegen de wand. ‘Misschien moeten we dan eerst iets eruit halen.’
Fen legde haar boek op haar schoot. Haar keel voelde dik.
‘Ik wil het nog wel,’ zei ze zacht.
‘Wat?’
‘Hier slapen. Met jou.’ Ze slikte. ‘Ik wil alleen niet weer dat ik alles hoor en dat ik dan naar binnen ga.’
Mila schoof haar tas naar de deur. ‘Dat kan ik ook niet van tevoren weten.’
Fen knikte zonder op te kijken.
Ze bleven een ogenblik zitten. Toen trok Fen de tas bij haar voeten naar zich toe. Ze stopte de losse sok erin en ritste hem dicht.
‘Eerst dit dan,’ zei ze.
Buiten was de regen bijna opgehouden. Ze brachten de tassen naar de luifel. Judit keek op, zag hun volle armen en schoof een stoel opzij. Romy nam Mila’s vochtige vest aan.

Fen zette haar boek hoog en droog op het caravankastje. Toen ging ze terug om haar mat te halen.