← Een tent voor twee
Inhoudsopgave · hoofdstuk 10 van 20
  1. 1. De kleine tent
  2. 2. Ontbijt voor twee
  3. 3. Nog één keer van de glijbaan
  4. 4. Er liep iemand langs
  5. 5. Maandagochtend
  6. 6. Twee ijsjes
  7. 7. Op woensdag het bos in
  8. 8. Aan tafel bij de tent
  9. 9. Waar het zand begon
  10. 10. Aan de andere kant van de heuvel
  11. 11. Zand en haren
  12. 12. Alles even naar binnen
  13. 13. Twee matjes
  14. 14. Vrijdag aan het hek
  15. 15. De laatste cursusdag aan tafel
  16. 16. Boven de bomen
  17. 17. Mila voorop
  18. 18. Niet alles mee
  19. 19. De tent hoorde alles
  20. 20. Nog even blijven liggen

Hoofdstuk 10 van 20

Aan de andere kant van de heuvel

Anouk stak haar hand op en ging aan de kant van het pad staan. Voor hen kwam een rij schapen om de bocht. Niet netjes achter elkaar, maar in een brede, bewegende strook die telkens smaller en weer breder werd.

Fen stapte naast haar moeder de brede berm op. Judit hield haar broodje stil voor haar mond.

Er kwam een man achter de eerste dieren aan. Hij droeg een pet en had een jas over zijn arm. Een donkere hond bewoog aan de andere kant van de kudde. Fen zag hem maar kort. Toen zat er weer een schaap voor.

‘Laat ze maar even,’ zei Anouk zacht.

Fen begon te tellen.

Eén, twee, drie. Het vierde had een pluk wol die aan de zijkant uitstak. Het vijfde keek helemaal niet naar het pad. Het liep met zijn neus tegen de flank van het vierde.

Daarachter stonden er twee half naast elkaar. Waren dat zes en zeven? Of had ze de ene al gehad?

Fen boog een beetje naar voren. Het schaap met de uitstekende pluk schoof ineens achter een kleiner dier. Nu wist ze zeker dat ze hem voor de tweede keer telde.

‘Hoeveel?’ fluisterde Judit.

‘Ik ben bij twaalf. Of veertien.’

Haar moeder knikte alsof dat duidelijk genoeg was. Ze hield haar broodje nog steeds omhoog.

De dieren kwamen voorbij met zachte tikjes van hun hoeven op de hardere stukken. Sommige keken even naar de mensen aan de kant. Andere zagen alleen de achterkant van een ander schaap. Fen rook dezelfde warme dierenlucht die ze maandag bij de manege had geroken, maar dan met meer stof erin.

Ze had gedacht dat ze wel zou zien waar de kudde ophield. Maar er kwamen steeds nog een paar om de bocht. De man met de pet keek af en toe achterom en liep verder.

Naast Fen bewoog het jongere jongetje nauwelijks. Zijn handen zaten diep in zijn zakken. Hij keek alsof het niet lukte snel genoeg naar alle schapen tegelijk te kijken.

Toen leek het eindelijk afgelopen. De hond verscheen weer. Fen zag zijn tong en zijn puntige oren. Hij keek langs de mensen heen naar de dieren.

Achteraan stond nog één klein schaap bij een paaltje. Het had zich de andere kant op gedraaid en plukte gras van de rand.

De groep wachtte.

Het schaap at door.

De wandelaars wachten op het laatste schaap, terwijl Judit haar halve broodje nog omhooghoudt.

Fen keek naar Anouk. Die stond met haar handen los langs haar jas naar het laatste schaap te kijken.

De herder kwam terug. Hij zei iets wat Fen niet kon verstaan, liep rustig naar het kleine dier en bracht het weer de kant op waar de rest was gebleven. Het schaap zette een paar snelle passen. Daarna was er alleen nog een leeg pad met wat losse stukjes wol aan de rand.

Judit liet haar hand zakken.

Fen keek naar het broodje. ‘Ga je dat nog eten?’

Haar moeder keek zelf ook, alsof ze pas weer wist dat ze het had.

‘Dat was ik van plan.’

Ze nam een hap. Fen moest lachen. Ze had geen idee hoe ze dit aan Mila moest vertellen. Niet alleen schapen gezien. Dat klonk alsof er drie achter een hek hadden gestaan. Het waren er zo veel geweest dat het pad een tijdje helemaal niet van de wandelaars was geweest. En dat ene kleine schaap had nergens haast mee gehad.

Ze liepen weer verder. Fen keek nog één keer om. De groep schapen was achter de bocht verdwenen. Er lag een klein, wit pluisje op haar schoen.

Verderop stond de schaapskooi. Fen had een stenen huis verwacht, maar het was een laag gebouw met donkere wanden en een groot dak. Ze bleven aan de kant van het pad staan. De deuren stonden open. Binnen zag Fen schaduw, stro en houten balken.

Anouk vertelde kort iets over de plek. Fen luisterde, maar haar ogen bleven naar het dak gaan. Het was zo breed dat zij er bijna onder had willen staan om omhoog te kijken. Haar moeder legde een hand op haar schouder toen ze verdergingen.

Het open stuk heide dat volgde, leek eerst dichtbij. Na een tijdje merkte Fen hoe lang je ergens naartoe kon lopen dat je de hele tijd zag. Haar rugzak drukte op haar schouders. Ze maakte één band iets losser en de andere daarna ook.

De jongen had geen steentjes meer in zijn hand. Hij droeg nu een krom stokje dat hij bij iedere paar passen omdraaide. Zijn grootmoeder vroeg of zij het even moest vasthouden. Hij schudde zijn hoofd en hield het steviger vast.

Op het laatste hoge stuk draaide Anouk zich om naar de groep. Fen dacht dat er weer een pauze kwam, maar de gids wees over de lage bomen heen.

‘Als je wilt rondkijken, kan het hier. Daarna zakken we weer tussen de bomen.’

Fen ging naast haar moeder staan. Ze zocht naar het campingveld. Daar moest een stukje geel staan: hun tentje. En twee caravans, één met een blauwe streep. Ze kneep haar ogen samen.

Ze zag daken, een strook weg en iets wat misschien een grote parkeerplaats was. De gele tent was te klein om vanaf hier te zien. Dat had ze kunnen weten, maar ze bleef toch zoeken.

‘Daar,’ zei Judit.

Fen keek snel.

Haar moeder wees niet naar de camping. Boven de bomen stak een donkere houten toren uit. Je kon de trap als een schuine streep tussen de palen zien.

‘Is dat hier vlakbij?’ vroeg Fen.

‘Aan de andere kant van het bos,’ zei Anouk. ‘Vandaag lopen we er niet langs.’

Fen probeerde te zien waar de mensen boven stonden. Er bewoog iets bij de leuning. Misschien een arm. Ze kon het niet goed onderscheiden.

Ze wilde daar ook een keer staan. Dan kon ze alle kanten op kijken. Van dit pad af zag ze steeds alleen wat tussen de bomen door paste.

De terugweg ging omlaag en werd daardoor eerst gemakkelijker. Later voelden haar benen juist zwaar. Ze liep niet meer vooraan. Judit liep naast haar en raakte af en toe met de buitenkant van haar hand Fens arm. Fen vond dat prettig. Ze hoefde er niets bij te zeggen.

Toen ze de eerste paaltjes van de camping zagen, was het bijna zes uur. Uit één caravan kwam de geur van gebakken ui. Er klapte ergens een spelbord dicht. Fen hoorde een kind vragen wie er morgen aan de beurt was.

Ze wist ineens heel precies dat ze dorst had.

Bij het informatiebord namen ze afscheid van Anouk. De jongen liet zijn stokje nog één keer zien. Hij had hem toch gehouden.

Fen liep met haar moeder het veld op. Mila zat onder de luifel van hun caravan en keek op.

‘En?’ riep ze.

Fen gooide haar rugzak in de schaduw van een stoel. ‘Er waren schapen.’

Mila zette haar glas neer. ‘Hoeveel?’

‘Dat is dus het probleem,’ zei Fen.

Bij welk stukje van de wandeling zou jij even zijn blijven staan?

Je mag iets uit het verhaal noemen, er alleen aan denken of meteen verder lezen. Er is geen goed antwoord.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.