Hoofdstuk 20 van 20
Nog even blijven liggen
Fen werd wakker omdat het warm was bij haar knieën. Ze had de slaapzak in de nacht een beetje van zich afgeduwd, maar het onderste stuk lag nog dubbel over haar benen.
Het tentdoek was geel van het ochtendlicht.
Ze bleef heel stil liggen.
Naast haar ademde Mila met haar mond een stukje open. Haar vlecht was losgeraakt. Er lag een lange zwarte pluk over haar wang. Het blauwe matje was een klein eindje verschoven, maar ze lag er nog helemaal op.
Fen keek naar haar eigen handen. De ene lag op het kussen, de andere naast het grijze lampje.
Ze was er nog.
Buiten hoorde ze iemand een kopje neerzetten. Er schoof een stoel over het gras. Fen trok de slaapzak van haar knieën en ging op haar rug liggen. Ze probeerde te bedenken wanneer ze precies in slaap was gevallen. Na dat laatste ritselen? Of had ze daarna nog op haar andere zij gelegen?
Ze wist het niet.
Mila bewoog haar hoofd. De pluk gleed van haar wang naar het kussen. Ze deed één oog open en keek naar Fen.
‘Hoi,’ zei ze schor.
Fen glimlachte. ‘Hoi.’
Mila keek naar het dak en toen naar haar horloge.
‘Half negen.’
‘O.’
‘Heb je de lamp later nog nodig gehad?’
Fen schudde haar hoofd. ‘Volgens mij niet.’
Mila knikte alsof ze daar ook geen verdere vragen bij had. Ze trok haar slaapzak tot haar middel en bleef met haar armen erbovenop liggen.
Van buiten klonk Judits stem.
‘Er is brood als jullie willen.’
Fen deed haar mond open, maar Mila was eerder.
‘Straks!’
Ze draaide haar hoofd naar Fen en sloot haar ogen weer.
Fen ging ook nog even liggen. De lucht vlak onder het dak was warmer dan bij de deur. Op het doek zat een klein vliegje. Het liep langs een naad omhoog en viel toen een stukje terug. Fen volgde het met haar ogen tot het bij de lichte vlek boven de ingang kwam.
Na een tijdje kreeg ze honger.
Ze schoof overeind en ritste de deur open. De koele lucht van buiten kwam meteen langs haar schouders. Het gras stond vol kleine heldere druppels. Bij de caravans lag een donkere strook schaduw, maar hun tent stond al bijna helemaal in de zon.
Judit keek op van haar boek.
‘Goedemorgen.’
‘Goedemorgen.’
Meer hoefde er eerst niet. Fen zocht haar sandalen, stak haar voeten erin en kroop naar buiten. Ze trok de slaapzak los om zich heen, omdat haar blote benen ineens kippenvel kregen.
Michiel schoof het gele bordje naar haar toe. Er lag een boterham op. Fen ging op de stoel zitten, met de roestbruine slaapzak nog om haar knieën.
‘Goed geslapen?’ vroeg hij.
‘Ja.’
Ze pakte het mes. De pot chocoladepasta ging gemakkelijk open. Er zat een klein randje opgedroogde pasta bij de schroefdraad. Fen veegde het weg met de punt van het mes.
Mila kwam achter haar aan. Ze had haar slippers in haar hand en liep op blote voeten door het gras. Bij iedere stap tilde ze haar tenen op.
‘Koud,’ zei ze.
‘Had je ze maar aan moeten doen.’
Mila ging zitten en schoof de slippers alsnog onder haar voeten. Ze trok het rode bord naar zich toe.
Romy bracht het pak melk. Ze schonk twee bekers vol en zette het pak terug in de koelkast. Koen kwam even later buiten met een mandje broodjes dat hij bij de campingwinkel had gehaald.

Fen pakte een klein rond broodje erbij. Ze had niet gedacht dat ze na die hele dag van gisteren zo veel honger zou hebben.
Ze praatten over de kermis. Mila vertelde dat Koen in de rups steeds had gezegd dat hij niet tegen haar aan ging schuiven. Koen zei dat hij zich dat anders herinnerde. Romy was erbij geweest en begon te lachen voor iemand haar iets kon vragen.
Fen at haar broodje op en schoof haar voeten dieper in de slaapzak.
Later die ochtend haalden ze de slaapspullen uit het tentje. Ze legden de matjes naast de caravans en hingen de slaapzakken in de zon. De bodem van de tent voelde aan de buitenkant een beetje klam. Ze lieten alles openstaan tot het droog was.
Fen ging nog een tijdje met haar boek in een stoel zitten. Ze bladerde naar de laatste bladzijde en las de laatste alinea opnieuw. Het meisje had haar jas niet gehaald. Daar bleef het bij. Deze keer vond Fen dat eigenlijk wel goed.
Na de lunch gingen ze inpakken. Niet alles, alleen wat ze de laatste avond en ochtend niet meer nodig hadden. De tent hoorde daarbij. Michiel haalde de haringen los. Judit hield de stokken vast terwijl Fen en Mila het doek lieten zakken.
Wat eerst boven hun hoofden had gestaan, lag nu plat op het gras.
Ze vouwden het samen. Er bleef altijd één hoek over die anders wilde dan de rest. Koen hielp de lucht eruit drukken. Fen hield de tentzak open en Mila duwde de opgerolde tent erin. Het lukte pas toen ze de rol nog een keer wat strakker maakten.
Die laatste nacht sliep Fen in haar caravanbed. Het gordijntje hing half open. Ze hoorde buiten iemand een auto afsluiten en daarna nog twee stemmen bij het pad. Ze draaide zich naar de wand en trok haar laken over haar schouder.
Maandagochtend was het veld op de plek van de tent nog een beetje lichter. Fen bleef er even staan terwijl Michiel de achterklep van de auto openzette.
Mila kwam met de tentzak aanlopen. Deze keer hield ze hem voor haar buik, net als Fen bij aankomst had gedaan.
‘Pak jij even die kant?’
Fen nam het andere hengsel. Ze droegen hem samen naar de auto. Michiel schoof een tas opzij en wees de vrije plek aan.
‘Hier kan hij.’
Mila hield de zak nog vast terwijl Fen hem naar binnen duwde.
‘Heb je hem?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Mila liet los. Fen trok haar hand van het hengsel en klopte een grassprietje van de stof.
Toen liepen ze terug naar de anderen om afscheid te nemen.