Hoofdstuk 7 · 5 minuten lezen
Zes weken om iets te maken
Het braderiecomité vergaderde in de ruimte achter de bibliotheek, waar de stoelen waren ontworpen voor mensen die nog niet waren uitgegroeid.
Mevrouw Vale zat vooraan met een map, een potlood en de blik van iemand die dacht dat onzekerheid vooral voortkwam uit te weinig tussenkopjes. Om haar heen zaten zeven mensen. Er waren drie soorten koekjes en een kartonnen model van de muziektent bij de haven, dat een kleine maar beslissende oorlog leek te hebben doorstaan.
Bex en ik deelden de minst wiebelige tafel.
‘We moeten twintig minuten vullen tussen het jeugdoptreden en de loterij,’ zei mevrouw Vale. ‘Iets voor het hele gezin.’
‘Een ruzie over parkeren,’ zei de man die over het parkeren ging. ‘Dat herkennen ze tenminste.’
Ze negeerde hem met geoefend gemak.
Ik was meegekomen omdat Bex vond dat ik naar de bevestiging van het achterdoek moest vragen. Agnes had ook gezegd dat een betaald demonstratieproject goed kon zijn voor mijn portfolio. Als we maar duidelijk afpraken wat betaald en project betekenden voordat iemand het een prachtige kans ging noemen.
‘Ik zou kunnen laten zien hoe je kleine hoeveelheden weer vangt,’ zei ik. ‘Met het inklapbare frame dat ik maak. Verschillende stoffen, verschillende manieren van vrijlaten. Niets dat zomaar loskomt.’
Mevrouw Vale draaide zich naar me toe.
‘Hoeveel zon?’
‘Dat is niet echt—’
‘Alleen boven het publiek. Niet de hele haven.’
‘Nee. Ik bedoel een demonstratie op een tafel. Een klein briesje door een proeflapje, een beetje motregen dat alleen in een bak terechtkomt. Laten zien hoe de constructie werkt.’
Ze schreef iets op. Ik leunde naar voren tot ik het kon lezen.
WEERDEMONSTRATIE. TWINTIG MINUTEN.
Dat zag er veilig genoeg uit.
‘Er moet wel een echte overkapping komen,’ voegde ik eraan toe. ‘De proeflapjes moeten op vaste afstanden van elkaar blijven. Ik kan het vrijgelaten weer niet als dak gebruiken.’
‘Natuurlijk.’
‘En Agnes moet controleren of het veilig is.’
‘Natuurlijk.’
‘En er staat een vergoeding tegenover.’
Het potlood hield stil.
Bex liet haar haar met rust en keek mevrouw Vale recht aan. De man van het parkeren at een koekje. Blijkbaar ging hij er even voor zitten: nu werd het interessant.
Ik noemde het bedrag dat Agnes en ik hadden afgesproken voor de voorbereiding, het materiaal en de demonstratie. Het was niet veel. Toch voelde het alsof ik mijn eigen prijs op een etiket hardop voorlas.
Mevrouw Vale vroeg of de materialen uit de bestaande winkelvoorraad konden komen.
‘Voor een deel,’ zei ik. ‘Daarmee zijn ze nog niet gratis.’
Mijn stem bleef gewoon klinken. Daar was ik zo opgelucht over dat ik bijna het bedrag verlaagde, uit dankbaarheid dat ik het had durven noemen.
Mevrouw Vale wilde het in de begroting opnemen, op voorwaarde dat het ontwerp en het veiligheidsplan werden goedgekeurd. Onder de tafel drukte Bex haar knie tegen de mijne.
De vergadering ging verder met het muziekprogramma. Iemand stelde voor Mae Hart te vragen. Ze verbleef die zomer in Morrow. Ik kende haar naam van mams afspeellijsten: een zangeres met een stem die ergens achter haar ribben leek te beginnen, niet in haar mond.
‘Heette zij niet Lark?’ vroeg de man van het parkeren.
‘Ja,’ zei mevrouw Vale. ‘Van dat oude huis boven aan de treden. Voordat ze wegging.’
Ik keek naar Bex.
‘Wat?’ fluisterde ze.
‘De jas.’
‘Is een zangeres?’
‘De vrouw op de foto.’
Mevrouw Vale vroeg of we iets wilden bijdragen. Ik zei te snel nee. De rest van de vergadering luisterde ik verdacht aandachtig naar alles wat ze zei.
Buiten stak Bex haar handen in haar jaszakken. Het was warm genoeg om zonder jas te lopen, maar hij was nieuw en ze was nog bezig een relatie met hem op te bouwen.
‘Ga je haar naar de jas vragen?’
‘Waarschijnlijk via de bibliotheek. Ik wil niet zomaar opduiken waar ze logeert.’
‘Dat is een goed instinct. Houden zo.’
We liepen naar de haven. De braderie was over zes weken. Voor de meeste mensen betekende dat: ruim tijd om plannen te maken. Ik zag meteen hoeveel avonden ik nog had om ergens aan te werken naast alles wat ik al had beloofd.
‘Die brief van je,’ zei Bex. ‘Heb je al geantwoord?’
‘Nog niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik moet eerst weten wat ik meeneem.’
‘Ze hebben je uitgenodigd. Je kunt ja zeggen voordat je spullen er emotioneel klaar voor zijn.’
Ik lachte, maar zij niet.
‘Ik meen het. Ik weet hoe jij dat doet.’
‘Wat?’
‘Je maakt jezelf nuttig tot er geen tijd meer over is om uit te zoeken of je goed bent in wat je zelf echt belangrijk vindt.’
‘Dat is gemeen om te zeggen terwijl ik je help met je achterdoek.’
‘Ik mag het probleem toch zien, ook als ik ervan profiteer?’
We stopten bij de ijssalon. Geen van ons had genoeg geld over voor het formaat dat we wilden. We kochten kleinere ijsjes en deden alsof dat een volwassen keuze was, in plaats van een rekensom.
Bex was aangenomen voor een opleiding in de podiumkunsten die in september begon. We hadden het gevierd en meteen daarna besproken waar ze zou wonen. Alsof genoeg praktische afspraken haar vertrek minder echt konden maken.
‘Ik ben bang,’ zei ze ineens.
Ik keek haar aan.
‘Voor de opleiding?’
‘Om gemiddeld te zijn. Hier weet iedereen dat ik het meisje ben dat kan zingen. Wat gebeurt er als ik daar kom en iedereen het kan?’
Bijna zei ik dat ze toch wel de beste zou zijn. Dat antwoord lag al kant-en-klaar op mijn tong: vrolijk en volkomen nutteloos.
In plaats daarvan vroeg ik: ‘Wil je nog steeds gaan?’
‘Ja.’
‘Dan hoef je misschien nog niet te weten wat er gebeurt.’
Ze keek naar haar smeltende ijsje.
‘Je bent verrassend irritant als je je eigen advies opvolgt.’
Dat had ik niet gedaan. Ik had het haar alleen uitgeleend. Maar toen we afscheid namen, opende ik de foto van mijn schets voor het inklapbare frame. Ik bekeek hem zonder meteen op te sommen hoe iemand met meer talent hem had kunnen tekenen.
Zes weken om iets te maken. Drie weken om een paar dingen een kamer binnen te dragen en te zeggen: die zijn van mij.
Ik kon in elk geval met het karton beginnen.