Hoofdstuk 20 · 5 minuten lezen
Agnes’ blauwe mok
Maandag kwam Mae naar de winkel met een notitieboekje, een pot jam en de mededeling dat ze geen last wilde zijn.
Agnes keek naar de pot.
‘Je begint slecht.’
‘Die heb ik gekregen. Ik woon alleen. Er zit een grens aan de hoeveelheid toast die je kunt verantwoorden.’
Ze zetten thee terwijl ik de laatste foto’s van de voering over de werktafel spreidde. Sinds het incident in de bibliotheek hadden we geen beladen proeflapjes meer gebruikt. Agnes had de mislukte proef opgeschreven, met een nieuwe eis eronder: blijven kijken na het schijnbare einde. Ik had het twee keer onderstreept.
Mae bekeek het patroon naast het lijstje dat ze als meisje had geschreven.
‘Bij jullie komt de tuin vóór de regen.’
‘Zo staat het op opa’s tekening.’
‘Ja, maar dat is niet waar ik om vroeg.’
Ze draaide de foto.
‘Die geur kwam daarna. De bladeren bleven eeuwig druppen omdat de boom over de waslijn hing. Mam zei altijd dat een perenboom een natte dag twee keer zo lang kon laten duren.’
Agnes lachte. ‘Dat weet ik nog.’
‘En deze warmte was niet van de middag. Dat was de westmuur in de avond. Als de lucht al was afgekoeld, kon je ernaast zitten en voelen hoe de steen de dag teruggaf.’
We verschoven twee etiketten. De volgorde veranderde. Belangrijker was dat een lijn die eerst een overbodige kruising leek nu logisch werd: een overgang tussen de vochtige tuinlucht en de koelere schaduw onder de trap.
‘Waarom heeft hij het veranderd?’ vroeg ik.
Mae nam een slok uit een mok waarvan drie vingers door het oor pasten.
‘Hij dacht dat hij de dag kon verbeteren. Het vervelende wachten eruit halen. De warmte langer laten duren. De koude stukjes betere manieren bijbrengen.’
Agnes leunde tegen de toonbank.
‘Klinkt bekend.’
‘O ja?’ vroeg Mae zacht.
De stilte die volgde was niet van mij, al stond ik er middenin. Ik begon de foto’s op te stapelen. Zo kregen ze de ruimte om zelf te besluiten of ze wilden dat ik dit hoorde.
‘Je had die kans moeten hebben,’ zei Agnes uiteindelijk. ‘Om weg te gaan. Dat wist ik. Ik kon alleen niet altijd even goed met dat weten omgaan.’
Mae keek haar aan.
‘Ik dacht dat jij niet weg wilde.’
‘Dat dacht iedereen. Ik was goed in de boekhouding. Ik kon een onbeleefde klant antwoorden zonder te huilen. Daarmee leek mijn toekomst geregeld.’
‘Je zei het nooit.’
‘Ik wist niet wat ik anders kon doen. Jij wel. Jij had concerten, aanmeldingen en mensen die zeiden dat je moedig moest zijn. Ik was heel praktisch. Praktische mensen zijn blijkbaar al af als ze geboren worden.’
Mae zette haar mok neer.
‘Ik was bang dat je dacht dat ik wilde opscheppen.’
‘Dat dacht ik soms. Meestal als ik jaloers was.’
Ik keek naar de blauwe mok met de vuurtoren in Agnes’ hand. Ze had hem van Mae gekregen toen ze zestien waren. Voordat hun levens een verhaal waren geworden dat iedereen wist te vertellen.
‘Je schreef niet meer,’ zei Mae.
‘Jij ook niet.’
‘Ik heb twee brieven naar de winkel gestuurd.’
‘Ik heb er een naar je eerste pension gestuurd. Die kwam terug.’
Ze staarden elkaar aan en moesten toen allebei lachen. Niet omdat een zoekgeraakte brief dertig jaar verklaarde. Wel omdat er één klein, lelijk hoekje mee werd opgehelderd dat ze allebei anders hadden meegedragen.
‘Ik had moeten bellen,’ zei Mae.
‘Ik ook.’
Geen van beiden vroeg de ander spijt te hebben van het blijven of het weggaan. Dat vond ik fijn. Hun verzoening had geen ander verleden nodig om echt te zijn.
We gingen terug naar de werktafel. Met alleen gekleurde draden haalden we de tuinlus los van de middagwarmte en legden beide langs de echte steekroutes op de foto’s. De eerste gekruiste rand ging open. De tweede trok het begin niet meer strak.
Op het model konden nu twee lussen de buitenkant van het patroon bereiken.
Niet de hele jas. Geen proef met echt weer. Maar voor het eerst deed het ontwerp iets anders dan ons terugsturen naar het stuk dat we al begrepen.
Ik wilde de hele middag doorgaan. Agnes liet ons eerst precies vastleggen wat we hadden veranderd, voordat we iets anders aanraakten. Mae keek toe en at het laatste stuk taart uit het blik.
‘Je bent hier goed in,’ zei ze tegen me.
‘Ik had hulp.’
‘Zangers ook. We mogen toch onze naam op het programma zetten.’
Nadat ze weg was, spoelde Agnes de mokken om. Ik droogde de blauwe voorzichtig af en zette hem op zijn vaste plek.
‘Ik probeer je niet te verlaten,’ zei ze.
‘Volgens mij begin ik dat te begrijpen.’
Ze knikte. We omhelsden elkaar niet: we hadden nat serviesgoed vast en wilden het moment geen van beiden breekbaarder maken dan nodig was.
Boven opende ik de mail over het toelatingsgesprek.
Tien minuten lang probeerde ik een antwoord te schrijven met genoeg voorbehouden om te voorkomen dat ze iemand vol zelfvertrouwen zouden verwachten. Ik legde uit dat één werkstuk nog in ontwikkeling was, dat ik druk was geweest met een technische reparatie en dat ik hoopte dat mijn beschikbare werk geschikt zou zijn.
Toen wiste ik alles.
Hartelijk dank. Ik kom graag naar het gesprek.
Ik controleerde de tijd en het adres, zette mijn naam eronder en verstuurde het.
Dat graag voelde verrassend bloot zonder een verontschuldiging ernaast. Ik liet het staan.