Hoofdstuk 5 · 5 minuten lezen
Regels voor kleine hoeveelheden weer
Het eerste weer dat ik ooit ving, was een briesje achter de kampvuurkraampjes op de herfstmarkt. Ik was zeven. Opa liet me het geprepareerde lapje vasthouden en hield mijn vingers bij de verzamelsteek vandaan.
Het rook naar natte wol en patat. Dat kwam doordat we hadden gevangen wat er was, zei hij, niet wat we graag hadden gewild. Ik bewaarde het lapje een week. Toen opende ik het achter mijn slaapkamerdeur en waaiden er vier tekeningen van de muur.
Mam liet ons ze oprapen. Volgens opa was dat leerzaam voor ons allebei.
Weermaken had regels. Die stonden niet allemaal op één plek. Mensen die voor hun werk dingen maakten, schreven de belangrijkste informatie nu eenmaal vaak op papiertjes die later onder een wiebelende tafelpoot terechtkwamen. Maar Agnes had me geleerd hoe je voorkwam dat iets kleins en nuttigs uitgroeide tot iets groots en duurs.
Om weer te vangen had je geprepareerd materiaal nodig, een begin en een terugvoer. Je ving een beperkte hoeveelheid van de omstandigheden op een echte plek. Na het vrijlaten raakte die hoeveelheid op. Het was geen deur naar een andere dag. Je kon gisteren niet opnieuw laten gebeuren, of een storm overhalen een stad toch maar over te slaan. Een goede koeldoek was handig. Hij was geen medische behandeling. Een klein briesje kon papier helpen drogen. Het kon dat papier ook alle kanten op blazen. Daarom moesten klanten het etiket lezen in plaats van alleen het ontwerp te bewonderen.
De jas had kennelijk niets gelezen.
Toen ik woensdagochtend de winkel opende, zat er rijp langs de binnenkant van de achterruit.
Aan de andere kant was het juli: warme stoeptegels, een bezorger in korte broek, de geur van brood van de bakker. Binnen zag ik mijn adem vaag boven de retourkast hangen.
Ik belde Agnes voordat ik eraan kwam. Ze zat al in de trein.
‘Controleer de ventilatieopeningen met je ogen, niet met je hand,’ zei ze. ‘Leg het onbeladen garen verder weg. Houd alles bij de elektrische apparaten vandaan. Nog twee haltes.’
‘Wordt het erger?’
‘Het verandert. Ik moet zien wat er verandert voordat ik er een naam aan geef.’
Dat hoorde ik minder graag dan een geruststellend antwoord. Ik vertrouwde het wel meer.
Het eerste werk van die ochtend was de twee buideltjes terughalen die misschien nat waren geworden door de regen van gisteren. Beide klanten namen op. De een had het hare nog niet gebruikt. De ander had het boven op de warmhoudkast voor linnengoed gelegd, omdat ze dacht dat warmte goed was voor alle stoffen.
‘Er staat: uit de buurt van warmte houden,’ zei ik voorzichtig.
‘Ja, maar het was niet veel warmte.’
We spraken af hoe het opgehaald zou worden. Ik boekte de terugbetaling in voordat ik met mezelf kon gaan onderhandelen over de vraag of zij het daarna technisch gezien nog erger had gemaakt.
Om tien uur bracht mevrouw Pelling haar pakje zon terug.
Het was leeg en schoon, en keurig open langs de naad waar het weer uit was vrijgekomen.
‘Ik dacht dat je het misschien nog kon gebruiken.’
‘Dat kan, als we het hebben gecontroleerd.’
‘Het werkte uitstekend.’
‘Mooi.’
‘Mijn zus zegt dat de geraniums te lange, slappe stengels krijgen. Dus ik weet genoeg.’
Ze legde een broodje kaas naast het teruggebrachte pakje en deed alsof ze de rijp niet zag.
Vijf minuten later kwam Eli met zijn lege motregenbuideltje. Hij had drie lekken in het dak gevonden. Twee zaten bij oude spijkergaten. Het derde kwam door een verbinding die volgens Stan in orde was. Dat maakte het, zei Eli, de meest bevredigende natte plek van die ochtend.
Hij zag het raam.
‘Nieuw seizoen?’
‘Niet volgens de planning.’
‘Zal ik helpen spullen te verplaatsen?’
Graag. We haalden de voorraad uit de onderste schappen. Voor de beladen buideltjes gebruikten we droge handschoenen, en we hielden de ruimte rond de kast vrij. Hij raakte niets aan voordat ik had gezegd tot welke categorie het behoorde. Het was prettig dat ik hem niet hoefde tegen te houden omdat zijn hulp een gevaarlijke kant op ging.
Toen de schappen leeg waren, pakte ik het losse stukje voering uit de kist. Er zat geen weer in. Agnes had op de foto gezien dat het een patroondeel was dat nog niet was geprepareerd. Ik legde het op de toonbank, uit de buurt van de rijp.
Over de onderkant liepen kleine cirkels. Eerst leken ze gedrukt. Toen boog Eli zich eroverheen en draaide het lapje naar het raam.
‘Ze zijn gestikt.’
Ik keek nog eens. Dun garen, bijna precies in de kleur van de voering. Elke lus sloot aan op een andere. Met een vergrootglas zag ik dat het schijnbaar doorlopende patroon bestond uit kleinere routes die dezelfde beginpunten deelden.
‘Waar eindigt het?’ vroeg hij.
Met de stompe kant van een speld volgde ik een lijn. Ik paste op dat ik niet achter het garen bleef haken.
De lijn boog terug naar die ernaast. Die lus kwam uit bij een derde. Na een minuut was ik weer bij mijn beginpunt.
‘Volgens mij nergens.’
‘Is dat erg?’
‘Voor een weerpatroon? Ja.’
Buiten toeterde de chauffeur van de bakker naar een fiets die netjes geparkeerd stond en dus vermoedelijk niet zou reageren. De gewone dag ging verder, langs ons raam.
Ik staarde naar de kleine cirkels. Iemand had ze geduldig en prachtig gestikt, telkens opnieuw begonnen. Aan de afstand tussen de steken herkende ik opa’s hand. Daardoor begreep ik juist minder goed waarom er geen duidelijke uitweg was.
Agnes’ sleutels rammelden in het slot.
Ik was nog nooit zo opgelucht geweest om iemand te horen aankomen terwijl ik nog niet klaar was met het repareren van het ding waar diegene naar zou vragen.