Hoofdstuk 30 · 5 minuten lezen
Het weer dat we echt hadden
Op oma’s zolder lag dertig jaar aan spullen in de categorieën nuttig, sentimenteel of niet van mij om weg te gooien.
Ze begon met het verkleinen van de derde categorie.
‘De grote bijdrage van je opa aan onze opslagruimte,’ zei ze terwijl ze een kast opende, ‘was zijn overtuiging dat je iets niet meer mocht weggooien zodra hij er prototype op had geschreven.’
Ik lachte, voelde me toen ontrouw en hield op.
Oma zag het.
‘Hij is twee jaar dood, June. Achteraf is samenleven met hem niet minder grappig geworden.’
We werkten aan haar eettafel. Een verbleekte plek liet zien waar een vaas had gestaan die ze pas had weggehaald toen ze besloot dat ze hem niet meer mooi vond. Ze was nog niet gewend aan de lege ruimte. Steeds zette ze daar het zout neer en keek dan geërgerd naar het zout omdat het geen bloemen was.
Ik vertelde over de jas, de negen lussen en de beschadigde planten. Ze onderbrak me niet om uit te leggen wat opa beter zou hebben gedaan. Toen ik klaar was, deed ze even haar ogen dicht.
‘Hij zou die uit elkaar halen.’
‘Wist hij hoe?’
‘Niet veilig genoeg om er niet meer over te praten en het te doen.’
Ze pakte een smal notitieboek uit het blik en sloeg het open. Er stonden uitgaven in, schetsen en af en toe een aantekening zonder datum. Blijkbaar vond opa dat de volgorde van zijn gedachten langer meeging dan een kalender.
Oma vond de foto van Mae en draaide die om.
‘Hij beloofde haar iets voordat hij wist of hij het kon maken. Toen besloot zij dat ze het niet meer wilde. Hij zei dat dat goed was. Het was niet meteen goed.’
‘Dat zei Agnes ook.’
‘Hij schaamde zich. Hij was niet boos op Mae zoals hij het liet klinken als hij het verhaal vertelde. Hij schaamde zich omdat nuttig zijn hem niet onmisbaar had gemaakt voor haar vertrek.’
Ik keek naar het notitieboek.
De overeenkomst was ongemakkelijk genoeg om me maar op zijn handschrift te concentreren.
Op een bladzijde achterin stond het patroon van de jas met drie verschillende eindes. Twee waren doorgestreept. Het derde liep naar een ongemarkeerde strook voorbij de laatste lus. Ernaast had hij geschreven: Laat genoeg onvoorbereide stof over. Verbeter de avond niet.
‘Dat ziet er belangrijk uit,’ zei ik.
‘Dat kan. Hij schreef belangrijke dingen naast boodschappenlijstjes.’
Ik fotografeerde de bladzijde. Het was geen handleiding. De volgorde van de steken was onvolledig en één terugvoer liep nog steeds onder de mouw terug. Maar de lege strook aan de rand kwam overeen met iets in de echte voering dat wij als overtollige stof hadden beschouwd.
‘Heeft hij deze versie getest?’
‘Volgens mij niet. Hij zei dat hij ernaar zou kijken als hij tijd had. Toen vond hij iets anders dat hij wilde maken.’
Oma schonk thee in kopjes die niet bij elkaar pasten. Ze had besloten dat bij elkaar passen een extra service was die servies kon bieden, geen verplichting.
‘Ik weet nog hoe het was op de dag dat Mae vertrok,’ zei ze. ‘Niet omdat het bijzonder weer was. Omdat mijn was buiten hing en je opa bleef volhouden dat het ’s middags zou opklaren.’
‘Deed het dat?’
‘Nee. Tot de avond regende het steeds weer. Mae kwam met natte schoenen afscheid nemen. Agnes deed alsof ze het te druk had om mee naar het station te lopen, ging toch en klaagde daarna over de hele tocht.’
Ik glimlachte.
‘Wat deed opa met de jas?’
‘Hij stopte hem in de oude opvangkist. Later werd die voor iets anders gebruikt en borg hij de jas op met de opening los. Ik liet hem de waarschuwing opschrijven toen ik hem tegen iemand hoorde zeggen dat er alleen een paar nette steken nodig waren.’
Ik keek meteen op.
‘Hij wist dat iemand dat zou denken?’
‘Hij wist dat hij zelf kon vergeten welke paar steken gevaarlijk waren. Daarom doen we er een etiket aan. Niet omdat de volgende persoon minder slim is.’
Er verschoof iets in mijn schaamte. Ik had een fout gemaakt. Het bleef mijn fout. Maar de waarschuwing die in een gevouwen naad verstopt zat, bewees niet dat iedereen voor mij perfect met de jas was omgegaan.
Oma raakte de rand van de foto aan.
‘Maak van deze jas redden niet de enige manier om van hem te houden.’
Ik slikte.
‘Ik wil hem niet uit elkaar knippen.’
‘Dat weet ik. Hij is mooi.’
‘Misschien daarna niet meer.’
‘Dan mag je daar ook verdrietig om zijn.’
We namen de rest van de papieren door. Onder de laatste envelop lagen geen definitieve antwoorden. Wel een ruwe tekening van een breder terugvoerframe, een lijst met gewone stofmarges en een briefje dat hem eraan herinnerde aardappelen te kopen. Ik fotografeerde ze alle drie. Het leek verkeerd om alleen de opa te bewaren die nuttige ontdekkingen deed.
Voor ik vertrok, vroeg oma naar het gesprek. Ik vertelde alles, ook dat ik met de auto had kunnen gaan.
Ze luisterde en schoof toen een koekje naar me toe.
‘Wat ga je nu doen?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Dat is een begin. Ga het niet inrichten om erin te blijven wonen.’
Ik stopte het notitieboek in mijn tas en kuste haar wang.
Terwijl we praatten, was de middag buiten grijs geworden. Niet mooi, niet dramatisch. Net genoeg licht om de weg naar huis te zien.