Hoofdstuk 6 van 14
Wat later
Om kwart voor drie staat Mats nog op het plein.
Dat had niet gehoeven. Hij heeft de bus naar huis gezien, met de mensen die hij inmiddels aan hun tassen herkent. Hij had kunnen instappen, zijn fiets pakken en naar het park gaan. Jens is er om drie uur.
Ravi staat bij de fontein.
Hij is met Noura. Ze hebben iets op een telefoon staan en moeten er allebei om lachen. Ravi kijkt op en ziet Mats nog voordat die besloten heeft wat hij gaat doen.
Hij steekt zijn hand op.
Mats steekt terug. Dan loopt hij naar hem toe.
‘Hé.’
‘Hé,’ zegt Ravi. ‘Ben je al klaar?’
Mats knikt. Hij is al langer klaar. Hij was net op weg naar de bus geweest.
Noura draait de telefoon om. Er staat een foto op van een heel scheve taart. Aan de ene kant zit zoveel glazuur dat je de onderkant niet meer ziet. De andere kant ziet eruit alsof hij ergens vanaf is gevallen.
‘Van onze klas,’ zegt ze.
‘Hij is nog heel,’ zegt Mats.
‘Dat is alleen de foto.’
Ravi tikt met zijn duim op het scherm en laat de volgende zien. De taart ligt nu echt op zijn zij. Er staat een hand naast met een spatel waar iets te veel aan blijft hangen.
Mats begint te lachen.
Hij kijkt op zijn eigen telefoon. Eén minuut verder. Hij kan zeggen dat hij weg moet. Hij kan dat ook straks zeggen.
Hij stuurt Jens: Kom wat later.
Daarna stopt hij zijn telefoon weg.
Noura vertelt dat ze eerst iets wil ophalen in de winkel aan de overkant. Ravi gaat mee. Mats loopt gewoon naast hen door. Ze vragen niet of hij meegaat, maar ze zeggen ook niet dat hij er niet bij kan.
Bij de oversteek blijft hij naast Ravi staan. Hun jassen raken elkaar een klein stukje wanneer er iemand van de andere kant komt. Ravi schuift opzij en maakt ruimte.
‘Zaterdag nog goed?’ vraagt hij.
‘Ja.’
Mats antwoordt bijna te hard. Noura kijkt even op. Ze vraagt niets. Ze is bezig haar lege tas kleiner op te vouwen zodat hij onder haar arm past.
‘Ik dacht misschien eerst…’ begint Mats.
Hij wil vertellen wat ze zaterdag kunnen doen. Hij heeft een plek gevonden waar je kunt zitten zonder midden op de looproute te staan. Hij weet ook hoe lang het naar de speelhal is en dat die kast maandag gewoon werkte.
Ravi kijkt naar hem.
‘Of gewoon kijken,’ zegt Mats.
Ravi knikt. ‘Ja. Dat lijkt me goed.’
Ze zijn bij de winkel. Noura trekt de deur open. Er rinkelt een belletje dat net iets te hard klinkt in de smalle straat.
‘Dit gaat even duren,’ zegt ze. ‘Ik moet iets zoeken.’
Mats blijft bij de deur staan. Ravi gaat naast Noura naar binnen en draait zich nog even om.
‘Tot morgen,’ zegt hij.
‘Tot morgen.’
De deur gaat dicht. Mats ziet hen tussen de rekken doorlopen. Ze zijn iets aan het bespreken dat hij niet kan horen. Ravi pakt een klein doosje van een plank en laat het aan Noura zien. Zij schudt haar hoofd.
Mats haalt zijn telefoon tevoorschijn.
Er staat een antwoord van Jens.
Hoe laat?
Het is twaalf minuten geleden verstuurd.
Mats tikt: Ik ga nu.
Dan ziet hij hoe dat eruitziet. Als hij nu gaat, is hij er nog steeds niet. Hij moet eerst naar huis. Hij haalt de zin weg en belt.
Jens neemt niet op.
Mats loopt naar de halte. De bus die er net staat is niet de goede. Hij blijft er een paar passen vandaan staan om de chauffeur niet het idee te geven dat hij nog mee wil. Op het bord schuift een rij letters omhoog. Zijn bus komt over zes minuten.
Ze hebben naast elkaar gestaan, overgestoken en zaterdag genoemd. Dat had morgen ook gekund.
Hij doet zijn tas af en zet hem tussen zijn schoenen.
Er trilt een bericht binnen.
Isa heeft een foto gestuurd van Jens met de rode schijf op één vinger. Hij staat niet in hun park. Achter hem is een stuk muur te zien met een grote gele vlek erop.
Waar zijn jullie? schrijft Mats.
Hij krijgt geen antwoord voordat de bus komt.
Thuis laat hij zijn tas in de gang zakken, pakt zijn fiets uit de schuur en rijdt weg. Zijn moeder roept iets over het eten. Hij roept terug dat hij op tijd is. Het is niet de afspraak waar hij nu te laat voor is.
Bij het park staat niemand bij hun boom.
Er ligt wel een leeg flesje op de rand. Hij denkt heel even dat het van Jens is. Het is een heel ander soort flesje. Hij zet zijn fiets tegen de bank en gaat staan kijken over het veld.
Hij weet zelf hoe lang je hier kunt wachten. Eerst loop je een rondje. Dan gooi je de frisbee omhoog en vang je hem weer op. Dan kijk je naar je telefoon. Daarna moet je iets anders bedenken, omdat je voor je gevoel niet de hele middag alleen omhoog kunt gooien.
Zijn telefoon gaat.
Jens.
‘Waar ben je?’ vraagt Mats meteen.
‘Niet daar.’
Hij hoort stemmen op de achtergrond. Isa zegt iets wat hij niet kan verstaan.
‘Ik ben er nu.’
‘Ik niet.’
Mats legt zijn hand op de leuning van de bank. Er zit iets plakkerigs op. Hij haalt hem er weer af.
‘Ik kwam Ravi tegen.’
Het blijft even stil.
‘Je zou hier komen,’ zegt Jens.
‘Ja.’
‘Om drie uur.’
Mats kijkt naar de klok op zijn scherm. Hij houdt de telefoon net ver genoeg van zijn oor om hem te kunnen zien. Ruim na halfvier.

‘Ik had het moeten zeggen,’ zegt hij.
‘Je zei dat je later kwam. Niet dat je eerst nog alles ging doen wat je liever deed.’
‘Dat was niet alles.’
Hij hoort zijn eigen antwoord en wil het terug. Jens heeft er niets aan dat er ergens nog meer dingen zijn waarvoor Mats hem niet zou laten wachten.
‘Ik sta niet nog een keer zo,’ zegt Jens. ‘Dan moet je het gewoon afzeggen.’
Mats knikt. ‘Goed.’
‘Ik kan je niet zien.’
‘Dat weet ik.’
Jens ademt een keer hoorbaar uit. Hij zegt dat ze nu ergens anders zijn en dat hij zo weg moet. Mats zegt dat hij het begrijpt. Hij vraagt niet of ze nog terugkomen.
Als het gesprek klaar is, blijft hij even bij de bank staan. Hij had de frisbee zelf ook niet meegenomen. Dat zou Jens doen. Hij kan hier alleen zijn fiets weer pakken.
Hij rijdt niet meteen weg. Hij duwt hem tot aan de rand van het veld, kijkt nog één keer naar de boom en stapt dan op.