Hoofdstuk 10 van 14
De verkeerde kant
Isa komt met de gele schijf op haar hoofd.
Ze houdt hem niet vast. Ze loopt langzaam over het pad en kijkt naar een punt ergens voorbij Jens, alsof ze daar al heen moet voordat haar voeten ervan weten.
Mats houdt zijn mond.
Jens niet.
‘Je hebt iets op je hoofd.’
De gele schuift naar voren. Isa vangt hem voor haar neus en wijst ermee naar Jens.
‘Ik was bijna hier.’
‘Nu ben je er ook.’
Ze legt haar tas naast die van hen en haalt een fles tevoorschijn. Ze drinkt terwijl Jens de rode onder zijn arm houdt. Mats loopt een stukje het veld in en steekt zijn handen omhoog.
Jens gooit niet. Hij draait zich om en zegt iets tegen Isa. Mats laat zijn armen zakken. Hij heeft bijna de hele zondagmiddag om er dom bij te staan, maar hoeft er niet nu al mee te beginnen.
Isa komt naast hem staan. Jens gaat verder weg. Hij houdt de rode vlak en doet een stap vooruit voordat hij gooit.
De schijf komt lang niet ver genoeg.
Mats rent. Hij haalt hem bijna, strekt zijn vingers uit en voelt de rand langs zijn hand schampen. Hij komt met zijn ene knie in het gras terecht en moet zijn andere hand neerzetten om niet met zijn gezicht te volgen.
De rode ligt een halve meter verderop.
‘Bijna,’ roept Isa.
Mats blijft nog even op zijn knie zitten. Hij steekt zijn duim op. Dan pakt hij de schijf, komt overeind en veegt het gras van zijn hand.
‘Jij rende te laat,’ zegt Jens als hij terug is.
‘Jij gooide te kort.’
‘Dat wist jij.’
Mats duwt de schijf tegen zijn buik. Jens pakt hem vast. Even staan ze allebei aan een kant en moeten ze lachen omdat geen van beiden wil loslaten.
Isa pakt de gele bij de tassen vandaan.
Ze gooit hem naar de andere kant. Niemand staat daar. De schijf gaat laag, komt weer omhoog en blijft in de lucht tot hij in de buurt van een struik zakt.
‘Zo wil ik hem,’ zegt ze.
Ze rent er zelf achteraan. Mats gaat mee. Hij is sneller op het eerste stuk, maar Isa heeft eerder bedacht waar het ding landt. Ze pakt hem net voor hem op.
‘Jij stond dus aan de verkeerde kant,’ zegt ze.
‘Wij allemaal.’
‘Dat bedoel ik.’
Ze gaan verder bij het stuk waar het veld schuin naar beneden loopt. Isa wil weten of de schijf langer blijft vliegen als ze zelf hoger staan. Jens zegt dat ze dat gewoon moeten proberen. Hij loopt omhoog en draait zich om.
Mats gaat beneden staan.
De rode komt op hem af. Eerst te hoog. Hij denkt dat hij achter hem terechtkomt en doet een stap terug. Dan zakt hij ineens. Mats zet af en vangt hem met twee handen boven zijn hoofd.

Zijn voeten komen bijna tegelijk weer op de grond.
‘Ja!’
Jens steekt zijn beide handen op. Isa maakt een geluid dat harder is dan klappen. Mats houdt de schijf omhoog tot Jens roept dat hij hem terug moet geven voordat het maandag is.
Hij gooit.
De rode vliegt zo ver naar links dat ze alle drie tegelijk die kant op kijken.
‘Andere wind,’ zegt Mats.
‘Uit je arm,’ zegt Isa.
Ze haalt hem en gaat zelf bovenaan staan. Haar worp komt netjes bij Jens, die op dat moment net naar zijn telefoon kijkt. Hij laat hem vallen en rent de laatste twee stappen. Hij vangt de schijf niet, maar krijgt zijn telefoon nog wel op tijd uit het gras.
Mats gaat dubbel van het lachen. Jens trekt een gezicht en houdt de telefoon omhoog. Er zit niets aan. Hij duwt hem diep in zijn tas en gaat weer staan.
Ze blijven tot hun armen zwaar worden. Daarna zitten ze bij het pad en delen wat er nog in de tassen zit. Een appel, een half pak koekjes en twee boterhammen die Jens niet meer precies uit elkaar kan houden omdat ze op elkaar hebben gelegen.
Mats neemt een stuk appel van Isa aan. Er zit nog een dun draadje schil aan. Hij bijt het los en kijkt naar de gele schijf die naast haar tas ligt.
‘Het was gisteren een beetje raar,’ zegt hij.
Jens kijkt op. Hij heeft een koekje in zijn mond en kan even niets antwoorden.
‘Met Ravi,’ zegt Mats, hoewel dat nu wel duidelijk is.
‘Hoezo?’ vraagt Isa.
Mats kijkt naar zijn eigen handen. Er zit groen in een lijntje van zijn palm.
‘We hebben heel lang bij zo’n kast gestaan. En ik bleef er maar bij staan.’
Jens slikt. ‘Dat kun jij wel.’
‘Ja. Dat bleek.’
Isa glimlacht een beetje. ‘Vond hij het niet leuk?’
‘Eerst wel. Daarna ging hij naar huis.’
Ze zitten even stil. Verderop gooit iemand een bal naar een kind dat veel te vroeg zijn handen omhoogdoet. Hij komt op het gras terecht en het kind rent er alsnog achteraan.
‘Ik had in mijn hoofd de hele middag al gehad,’ zegt Mats.
Jens kijkt naar hem. Mats begint te lachen, kort en tegen zijn zin.
‘Toen moest hij alleen nog komen.’
Nu lacht Jens ook. Isa geeft hem de rest van het koekje dat ze aan het breken was. Mats neemt het aan en kijkt naar de schijf.
‘Bij de glastent liep hij dus echt vol tegen zo’n wand,’ zegt Isa. ‘Heel rustig. Alsof die dan wel opzij zou gaan.’
Mats kijkt op. ‘Ravi?’
Ze knikt. ‘Hij zei eerst nog: hier kunnen we door.’
Mats ziet hem voor zich. De hand om de tasband, het gezicht wanneer iets net anders blijkt dan hij dacht. Hij begint te lachen en wil eigenlijk vragen wat Ravi daarna heeft gezegd. Isa wijst al naar de rode schijf.
‘Zullen we nog één keer?’
Jens staat op. Mats eet zijn laatste stukje koek op, veegt zijn hand langs zijn broek en komt ook overeind.
‘Van beneden naar boven,’ zegt hij.
Isa kijkt naar de helling. ‘Dat wordt niks.’
‘We kunnen het toch proberen?’
Jens gooit de rode al naar hem toe. Mats steekt zijn hand uit en vangt hem tegen zijn pols. Het tikt harder dan hij verwacht. Hij schudt zijn hand los en legt de schijf vlak op zijn andere.
Hij kijkt naar boven. Jens staat er, Isa ernaast. Ze zijn allebei een stukje verder gaan staan dan nodig is.
Mats gooit.