Hoofdstuk 13 van 14
Door het hofje
Mats heeft een bus eerder genomen. Bij de volgende halte staat Ravi ook al te wachten. Hij stapt in en ploft naast hem neer.
Ravi heeft het boek teruggegeven.
Dat vertelt hij zodra hij naast Mats zit. Noura had het weer nodig, zegt hij. Ze wilde weten of hij bij het goede stuk was.
‘Was je daar?’ vraagt Mats.
Ravi trekt zijn mond een beetje scheef. ‘Nog niet.’
Mats lacht. Hij kijkt naar de groene tas. Het vak waar de kaft altijd uitsteekt, hangt leeg.
‘Ze moet je gewoon alleen dat goede stuk geven.’
‘Dat heb ik ook gezegd.’
Ze zitten naast elkaar terwijl de bus verdergaat. Er komt zon door de ruit. Mats trekt zijn jas een stukje van zijn arm, waar het warm wordt. Ravi heeft zijn hand op de band van zijn tas liggen.
‘Dit is hem dus,’ zegt hij.
‘Wat?’
‘Vrijdag.’
Mats knikt. Hij heeft het die ochtend ook gedacht, alleen nog niet in woorden gedaan. Morgen is geen school. Maandag zit Ravi ergens anders, op een ander tijdstip tussen andere mensen.
Mats kijkt uit het raam.
Bij de brug ligt het water licht tussen de kade en de lage boot. Er loopt nu niemand met een bezem. Er hangt wel een jas over de reling. De wind tilt één mouw op en laat hem weer vallen.
‘Heb je na de halte nog even?’ vraagt Ravi.
Mats draait zich terug. ‘Ja.’
‘Ik dacht, dat hofje.’
Mats kijkt naar de klok op zijn telefoon. Ze zijn vroeg. Veel vroeger dan de eerste ochtend waarop hij zijn naam had gezegd en daarna nog langs Ravi’s straat was blijven kijken.
‘Kan,’ zegt hij. ‘Ik heb nog bijna twintig minuten.’
‘Ik ook ongeveer.’
Ravi trekt zijn tas dichterbij en kijkt naar de deur. Mats laat zijn telefoon weer in zijn zak glijden.
Bij de halte stappen ze tegelijk uit. De man voor hen blijft midden op de stoep stilstaan om zijn paraplu te verzetten, hoewel het helemaal niet regent. Ze gaan er ieder aan een kant langs en komen daarna weer naast elkaar uit.
De fontein staat nog uit. Er ligt een donkere rand water in de bak. Mats wijst naar de winkel met de hoge pet.
‘Die is er nog.’
Ravi kijkt naar het rek achter het glas. Hij buigt zijn hoofd een klein stukje, precies zoals zaterdag.
Mats lacht en loopt naast hem verder.
De poort van het hofje is open. Er hangt een groene tak boven de doorgang die je op het plein niet kunt zien. De stenen zijn lichter dan aan de straatkant. Ze lopen eronderdoor.
Binnen is het stiller.
Er staat een bankje tegen een muur. Daarvoor staat een grote bak met een plant die duidelijk liever naar één kant groeit. De andere kant is bijna kaal. Er ligt een oude steen in om de stam ergens tegen te laten leunen.
Mats blijft ervoor staan.
‘Bijzondere plant,’ zegt hij.
Ravi kijkt naar de kale helft. ‘Hij heeft een goede kant.’
Ze lopen eromheen om de andere te bekijken. Dat helpt niet echt. Mats hurkt even om de steen te zien. Het is geen steen, maar een afgebroken stuk van een tweede pot.
Ravi gaat naast de bak staan en kijkt heel serieus dezelfde kant op als de plant.
Mats begint te lachen. Ravi houdt het nog twee tellen vol en lacht dan mee. Hij maakt een foto van de volle kant van de plant.

Vanuit een zijdeur komt iemand met een fiets aan de hand. Ze gaan opzij. De man knikt en loopt naar de uitgang aan de andere kant van de binnenplaats. Je hoort zijn wielen over een rij kleine tegels gaan.
Mats gaat op het bankje zitten. Ravi blijft nog even bij de plant staan en komt dan naast hem.
Er zit ruimte tussen hen. Mats legt zijn handen op de rand van de bank. Hij kan Ravi’s mouw in zijn ooghoek zien, maar kijkt naar het stukje lucht boven de muur.
‘Ik heb gisteren thuis gekookt,’ zegt hij.
Ravi kijkt op. ‘Wat?’
‘Een ei.’
‘Dat is wel veel.’
Mats draait zijn hoofd naar hem toe. Ravi grijnst. Mats glimlacht even terug, maar kijkt dan weer naar voren.
‘Ik was nog niet klaar.’
Ravi haalt zijn hand van de tas. ‘O. Sorry.’
‘Maakt niet uit.’
Hij wil het toch vertellen. Zijn vader had hem de pan gegeven en was naar de telefoon gelopen. Mats had gedacht dat hij nog veel tijd had om iets uit de kast te pakken. Toen was de onderkant van het ei al veel verder dan de bovenkant. Hij had het ei in één keer om willen draaien en een deel op de rand van het fornuis gekregen.
Ravi luistert. Hij begint te glimlachen, maar wacht tot Mats zelf bij het moment is waarop zijn vader terugkwam en vroeg of het ei ook bedoeld was om aan tafel te eten.
Dan moeten ze allebei lachen.
‘Hij heeft het stuk uit de pan zelf genomen,’ zegt Mats. ‘Ik kreeg het stukje dat ik nog over had.’
‘Was het goed?’
‘Aan één kant.’
Ravi knikt heel ernstig. Hij kijkt naar de plant. Mats ziet het en geeft hem een klein duwtje met zijn schouder.
‘Niet alles hoeft een goede kant.’
‘Dit ei wel.’
Ze blijven even zitten. Er komen mensen door het hofje, langs het bankje en de bak.
Mats kijkt nog een keer op zijn telefoon. Hij steekt hem meteen weer weg.
‘Ik moet zo.’
Ravi knikt. Hij komt overeind en schuift zijn tas beter over zijn schouder. Mats staat ook op. Hij veegt met zijn hand langs de achterkant van zijn broek, alleen om te voelen of er iets van het bankje aan is blijven zitten.
Ze lopen naar de andere uitgang. Er hangt een oude lamp boven die overdag niet nodig is. Onder hun voeten worden de tegels kleiner en daarna staan ze ineens weer bijna in de winkelstraat.
Ravi loopt nog een stukje naast hem.
Mats voelt eerst een hand langs de zijne. Hij kijkt opzij. Ravi kijkt naar voren, zijn mond een beetje open alsof hij nog iets wil zeggen.
Hij pakt Mats’ hand.
Mats pakt terug.
Het gaat niet in één keer netjes. Hun vingers zitten op een rare plek en Mats moet zijn hand een beetje draaien. Dan lukt het. Hij houdt vast. Hij hoort zijn eigen jas langs Ravi’s mouw gaan en de voetstappen van iemand achter hen.
Ravi kijkt nu wel naar hem.
Mats glimlacht. Hij probeert er geen zin bij te verzinnen.
Bij de hoek waar ze ieder een andere straat in moeten, blijven ze staan. Ravi laat niet meteen los. Mats kijkt naar hun handen en daarna weer naar zijn gezicht.
‘Zaterdag,’ zegt Ravi.
Mats wacht.