← Zes haltes samen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 1 van 14
  1. 1. Al gedrukt
  2. 2. Achter je rug
  3. 3. Een tas op de stoel
  4. 4. Geen mooie prijs
  5. 5. Met z’n tweeën
  6. 6. Wat later
  7. 7. Bij de fontein
  8. 8. Nog één spel
  9. 9. Zonder reserveplek
  10. 10. De verkeerde kant
  11. 11. Zes haltes
  12. 12. Niet nog een voorstel
  13. 13. Door het hofje
  14. 14. Morgen twee uur

Hoofdstuk 1 van 14

Al gedrukt

Mats trekt zijn rugzak van de stoel zodra de jongen instapt.

Veel te vroeg. Er staan nog twee mensen tussen de deur en de plek waar Mats zit. De eerste houdt een grote sporttas voor zijn buik. De tweede probeert een paraplu klein genoeg te maken voor de hele wereld.

De jongen in het bordeaux jack wacht tot hij erlangs kan. Hij heeft vandaag geen oortjes in.

Mats zet zijn tas op zijn knieën. Hij kijkt naar buiten. Daar valt helemaal niets te zien wat niet ook te zien was voordat hij zijn tas zo opvallend weghaalde.

De jongen gaat aan de overkant zitten.

Natuurlijk. Daar is ook een stoel.

Mats ritst zijn eigen tas een stukje open en meteen weer dicht. Hij hoeft er niets uit. Hij heeft zijn telefoon in zijn jaszak en zijn brood in het vak dat nu tegen zijn buik drukt. Zijn moeder heeft vanochtend gevraagd of hij wel twee boterhammen wilde of alleen twee boterhammen meenam om ze weer terug te brengen.

Hij heeft ja gezegd. Dat was op de verkeerde helft van de vraag.

De bus trekt op. De jongen draait de band van zijn schoudertas om zijn hand. Eén keer, twee keer. Mats heeft het al vaker gezien. Daarna zet hij de tas tussen zijn voeten.

Het zijn zes haltes vanaf hier.

Mats weet dat zonder mee te tellen, maar telt soms toch. Bij de eerste staat een vrouw die haar hond altijd nog even laat ruiken voordat zij zelf instapt. Vandaag staat ze er niet. Bij de tweede is de fietsenmaker. Bij de derde gaat de bus de brug over en kun je een klein stukje van het water zien. Als hij aan de andere kant had gezeten, had hij nu dus iets om naar te kijken.

Hij kijkt even opzij.

De jongen kijkt ook.

Mats glimlacht. Hij neemt zich voor het niet zo snel weer weg te halen, maar zijn gezicht is hem al voor. Hij kijkt naar de rits van zijn tas.

Hij weet niet eens hoe de jongen heet.

Jens zou zeggen dat hij het dan moet vragen. Jens kan dat zeggen zonder erbij te zitten. Als hij erbij zat, zou hij waarschijnlijk nog iets vragen waar niemand om gevraagd had. Of een pakje drinken openmaken dat voor de helft op zijn broek eindigde. Dan was er tenminste iets gebeurd.

De jongen haalt een boek uit zijn tas. Een hoek van de kaft is omgevouwen. Hij probeert hem plat te strijken met de rand van zijn hand. De hoek wil niet. Na twee pogingen geeft hij het op.

Mats kijkt weg voordat hij wil weten of er iets op de eerste bladzijde staat.

Er staat een man op uit de stoel voor hen. De bus remt. De man krijgt de stang net op tijd te pakken en blijft daarna een heel stuk steviger staan dan voordat hij dacht dat het wel kon zonder hand.

Bij de halte stapt iemand uit. De jongen legt het boek op zijn knie en schuift zijn tas verder onder zijn stoel.

Mats kan nu iets zeggen. Over dat boek, bijvoorbeeld.

Alleen heeft hij het niet gelezen. Hij weet niet eens wat voor boek het is. Als hij zegt dat het er leuk uitziet, moet hij kunnen uitleggen wat hij dan heeft gezien. Hij heeft vooral de hand gezien die de hoek niet plat kreeg.

De bus rijdt weer.

Hij pakt zijn telefoon, alleen om iets vast te houden. Er staat een bericht van Isa. Een foto van een gele frisbee op het dak van een schuurtje.

Jouw laatste worp gevonden, staat eronder.

Die van hem lag helemaal niet op een dak. Die was links van de boom naar beneden gekomen. Dat kan hij bewijzen als hij er nog een keer gaat kijken, wat ineens een stuk leuker klinkt dan hier naar een onbekende naam blijven zitten zoeken.

Hij tikt een antwoord. Het is te lang. Hij haalt er twee regels uit.

Aan de overkant gaat de telefoon van de jongen. Hij kijkt op het scherm, houdt hem schuin voor zijn mond en zegt zacht iets wat Mats niet kan verstaan. Daarna stopt hij hem weer weg.

Zijn stem is anders dan Mats had bedacht. Lager misschien. Of gewoon minder iets wat Mats had bedacht.

Mats schuift zijn eigen telefoon weg.

De jongen drukt op de stopknop naast zijn stoel.

Er gebeurt niets.

Hij drukt nog een keer, met zijn duim verder naar het midden. De bus rijdt rustig door.

‘Deze doet het niet,’ zegt hij.

Hij kijkt naar Mats.

‘O,’ zegt Mats.

Uitstekend. Een heel woord, speciaal voor deze gelegenheid.

Mats hangt over het gangpad en drukt zelf op de knop. Hij moet er zijn arm bijna helemaal voor uitstrekken. De jongen trekt zijn knie op om hem ruimte te geven. Mats drukt nog een keer.

Geen geluid. Geen licht in de knop.

‘Wacht,’ zegt de jongen.

Hij wijst naar voren. Boven de uitgang brandt het lampje voor de volgende halte. Mats kijkt ernaar. De man met de sporttas staat al bij de deur. Hij heeft blijkbaar lang geleden gedaan waar Mats nu zo nadrukkelijk mee bezig is.

‘O,’ zegt Mats opnieuw.

De jongen begint te lachen. ‘We gaan wel stoppen.’

Mats en de jongen tegenover hem lachen als ze het brandende stoplampje voor in de bus zien.

‘Ik druk altijd twee keer. Voor de zekerheid.’

Dat is volkomen niet waar. De jongen ziet eruit alsof hij hem niet gelooft. Mats kan het hem niet kwalijk nemen.

Ze komen allebei overeind. De bus remt en Mats moet snel naar zijn rugzak grijpen voordat die van zijn knie af glijdt. De jongen houdt de stang vast en schuift opzij.

‘Hier ook uit?’ vraagt hij.

‘Ja.’

‘Altijd?’

Mats knikt. ‘Anders kom ik op een andere school.’

Dat is niet eens een grap. Het komt er alleen zo uit. De jongen lacht toch. Ze stappen achter de man met de sporttas naar buiten.

De stoep is nat. Er ligt een hoop bloesem of iets wat vroeger bloesem was langs de stoeprand. Mats zet zijn tas beter op zijn schouder. De jongen trekt zijn eigen band recht.

‘Ik ben Ravi,’ zegt hij.

Mats hoort de naam. Hij wil hem niet meteen uitproberen alsof hij hem kan verliezen, dus zegt hij zijn eigen naam terug.

‘Mats.’

‘Mats,’ herhaalt Ravi.

Ja. Zo klinkt het dus als hij het zegt.

Er gaan mensen tussen hen door. Ravi doet een stap naar de muur en Mats gaat mee voordat hij bedenkt dat hij ook gewoon weg kan lopen.

‘Moet jij die kant op?’ vraagt Ravi.

Hij wijst langs het plein. De fontein staat nog uit. Op de rand zit iemand met een beker.

‘Bij dat grote gebouw,’ zegt Mats. ‘Jij?’

Ravi wijst de andere straat in. ‘Daar. Met die ramen waar je niet doorheen kunt kijken.’

Mats kent het gebouw. Hij heeft één keer gedacht dat het een sportschool was. Dat zegt hij niet. Hij heeft vandaag al genoeg over scholen gezegd zonder dat het de bedoeling was.

‘Morgen dan?’ vraagt Ravi.

‘Ik moet wel.’

Het is eruit voordat hij hem tegen kan houden. Ravi glimlacht.

‘Ik ook.’

Hij draait zich om en loopt weg. Mats kijkt niet de hele straat met hem mee. Alleen tot de eerste hoek. Dat is bijna hetzelfde, maar hij besluit dat het nog kan.

Bij zijn eigen school stapt Jens naast hem uit het fietsenrek. Hij heeft zijn jas nog open en een handschoen aan één hand.

‘Je bent laat,’ zegt hij.

‘Nee hoor.’

Jens kijkt naar de klok boven de deur. ‘Nog net niet.’

Mats duwt hem een stukje opzij met zijn schouder. Zijn brood zit nog steeds tegen zijn buik. Hij hoeft er later niet eens iets over te zeggen. Jens begint al over de frisbee op het dak.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.