Hoofdstuk 11 van 14
Zes haltes
Mats heeft de plek naast zich leeggelaten.
Niet opvallend leeg. Zijn tas staat gewoon op de grond. Hij heeft hem voor zijn voeten gezet voordat hij ging zitten, zodat hij hem niet met een groot gebaar weg hoeft te halen wanneer Ravi instapt.
Nu zit hij naar die tas te kijken alsof die hem verder kan helpen.
De bus stopt.
Er komen eerst twee mensen binnen die hij niet kent. Dan ziet hij het bordeaux jack. Ravi heeft zijn tas tegen zijn buik getrokken om langs de paraplu bij de deur te kunnen.
Hij kijkt naar Mats.
Mats steekt een hand op. Klein, met zijn vingers nog op de rand van de stoel.
Ravi komt naar hem toe.
‘Hé.’
‘Hé.’
Hij gaat zitten. Zijn knie komt even tegen die van Mats. Ze verplaatsen allebei hun been een klein stukje.
Mats kijkt naar voren. Er brandt nog geen stoplampje. Er is nu dus niets om op te drukken en niets om iemand mee te helpen.
‘Zaterdag,’ zegt hij.
Ravi draait zijn hoofd naar hem toe.
Mats ademt in en gaat verder voordat hij iets grappigs kan verzinnen.
‘Ik wilde dat jij het leuk vond. En toen bleef ik maar doen wat ik al had bedacht.’
Hij kijkt naar de tas tussen zijn schoenen. Dan weer naar Ravi.
‘Ik had gewoon moeten stoppen met dat spel.’
Ravi knikt langzaam. ‘Ja.’
Mats wrijft met zijn duim langs de naad van zijn broek.
‘Ik vond het eerst ook leuk,’ zegt Ravi. ‘Ik kon alleen op een gegeven moment niet meer iets anders bedenken om te zeggen dan: zullen we gaan?’
‘Dat zei je ook.’
‘Ja.’
De bus gaat over een hobbel. Ravi’s tas schuift tegen Mats’ schoen. Mats zet zijn voet opzij. Ravi trekt de band wat hoger op zijn knie.
‘En daarna ging ik maar een beetje staan,’ zegt Ravi. ‘Dat hielp ook niet echt.’
‘Ik zag je bij de deur kijken.’
Ravi kijkt naar hem. Mats voelt zich er opnieuw warm van worden.
‘Ik dacht dat ik nog even moest laten zien dat ik het kon,’ zegt hij.
‘Dat wist ik wel.’
Hij zegt het zacht. Ravi kijkt langs hem naar het raam.
‘In de bus vind ik het leuk dat je dingen vertelt die halverwege een andere kant op gaan,’ zegt hij. ‘Je hoeft het niet eerst af te hebben.’
Mats kijkt naar hem.
Hij heeft een heel klein draadje aan de boord van zijn jack. Mats ziet het, ziet zijn gezicht erboven en vergeet even welke zin hij aan het voorbereiden was.
Ravi trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Wat?’
‘Niks.’
‘Je doet iets met je mond.’
Mats sluit hem. Ravi begint een beetje te lachen. Mats lacht ook, eerst alleen met zijn neus en dan toch echt.
Bij de volgende halte komt een man met een grote kartonnen doos binnen. Hij draait hem schuin om langs het paaltje te kunnen. Mats trekt zijn tas dichterbij en Ravi doet zijn benen opzij.
De doos komt niet tegen hen aan. De man bedankt hen en loopt verder.
‘Wat was dat ding op school?’ vraagt Mats wanneer ze weer recht zitten.
Ravi kijkt op.
‘Dat je zaterdag ging vertellen.’
‘O. Dat was een spel met lampjes. Bij een kennismakingsdag. Je moest zo snel mogelijk op de goede drukken.’
‘En?’
‘Noura stond ernaast en riep expres steeds het verkeerde. Niet eens hetzelfde verkeerde. Gewoon heel overtuigend iets anders.’
Mats ziet het voor zich. Hij begint te glimlachen.
‘Dus dan raak je niks.’
‘Jawel. Alleen niet waar je moet zijn.’
Ravi doet met zijn hand voor hoe hij ergens naar rechts schoot terwijl het lampje links zat. Mats lacht. Het verhaal gaat nog een stukje verder, met een leraar die daarna dacht dat hij het zonder geroep veel beter kon. Noura vond van niet.
Als Ravi uitverteld is, staan ze bijna bij de brug.
Mats kijkt naar het water. Er ligt een lage boot langs de rand. Iemand loopt over het dek met een bezem. Hij veegt steeds naar dezelfde kant, alsof het daar allemaal vanzelf ophoudt.
‘Ik zit hier volgende week niet meer op deze tijd,’ zegt Ravi.
Mats draait zich terug.
‘Hoezo?’
‘Nieuw rooster. Ik begin later. Dan kan ik ook later de bus pakken.’
‘Hoeveel later?’
Ravi vertelt het. Veel later dan Mats op school moet zijn. Op één ochtend moet hij juist eerder, zegt hij, en hij kijkt er nu al tegenop om dan uit bed te komen.
Mats knikt. Hij heeft de latere bus weleens genomen. Dan zou hij zijn eerste les missen.
‘Dan gaat het anders,’ zegt hij.
‘Ja.’
Ze hebben nog een stukje. Mats kan het zien aan de winkels die buiten voorbijkomen. Hij telt ze niet. Hij kent ze.
Er gaat iemand bij de uitgang staan. Dan nog iemand. Het lampje brandt.
Mats zet zijn tas op schoot om straks sneller op te kunnen staan. Ravi maakt zijn band los van zijn hand.
‘Ik vond jou wel leuk,’ zegt Mats zacht.
Hij hoort het woord vond en wil het meteen rechtzetten.
‘Vind. Nog steeds.’
Ravi kijkt hem aan en knikt een klein stukje.
De bus remt. Er gaan mensen overeind staan. Mats staat ook op, met zijn tas half op zijn schouder en zijn mouw nog ergens achter de leuning.
Ravi trekt de stof los zodat hij door kan.
Op de stoep blijven ze naast elkaar staan. Er komt iemand met een fiets tussen hen in en vraagt of ze een stukje naar de kant kunnen.
Mats stapt achteruit. Ravi doet hetzelfde. Ze kijken elkaar een ogenblik aan en dan allebei naar de straat waar ze heen moeten.
‘Morgen,’ zegt Ravi.
‘Morgen.’
Ze gaan elk hun eigen kant op. Mats loopt niet sneller dan nodig is.