Hoofdstuk 7 van 14
De foto van vorig jaar
Na het eten haalde Imre de foto van vorig jaar uit de la. Hij wist waar die lag: onder een oude verjaardagskaart met een draak erop. Zijn moeder had twee afdrukken laten maken. Eén hing op het prikbord bij zijn nichtje. Deze lag altijd hier.
Zijn nichtje stond in het midden met een zilveren papieren beker. Daar was geen drinken in gegaan; het was hun tweede prijs. Links stonden de twee broers uit haar straat en rechts een meisje met een rode zonneklep. Imre had de zonneklep op de foto beter onthouden dan het meisje zelf.
Hij stond aan de zijkant. Dat wist hij al. Nu keek hij naar zijn eigen gezicht. Zijn mond was open. Hij had net iets geroepen toen de foto werd genomen. Misschien de naam van zijn nichtje. Misschien ‘wacht even’. Dat was niet meer te zien.
‘Je kijkt alsof je de fotograaf opdrachten geeft,’ zei zijn moeder vanaf de bank.
Imre grinnikte even. ‘Die luisterde tenminste.’
Hij ging op het kleed zitten met zijn rug tegen de bank. In de keuken bromde de vaatwasser. Buiten reed iemand met ratelende wieltjes over het pad. Imre legde de foto op zijn knieën.
‘Ik wilde dat iemand vorig jaar toch niet kon,’ zei hij.
Zijn moeder legde haar boek dicht. ‘Dat kan ik me voorstellen.’
‘Niet echt ziek. Alleen… niet zo'n zin. Of nog op vakantie.’
‘Maar ze waren er allemaal.’
‘Ja.’ Hij boog één hoek van de foto om en streek hem meteen weer glad. ‘Toen zei iedereen dat ik zo goed had aangemoedigd.’
Zijn moeder schoof haar voeten onder de bank. Ze zei niet dat aanmoedigen ook belangrijk was. Imre was blij dat ze dat niet zei. Hij wist het wel. Hij had het vorig jaar vaak genoeg gehoord.
‘En nu ben je er zelf een van de vier,’ zei ze.
‘Ik weet het.’

‘Wil je dan nog steeds als laatste?’
Imre keek naar de papieren beker op de foto. Als je als laatste liep, was het afgelopen zodra jij klaar was. Dan keek niemand meer naar de volgende. Je kon zelf omhoogkijken en de mensen zien die voor jou klapten.
‘Ja,’ zei hij. ‘Maar mijn buik niet.’
Zijn moeder wachtte.
‘Het begon al toen Feline weg was. Toen Sami. Ik moest steeds langer niks doen. En toen geel voorlag, dacht ik alleen nog dat ik te laat was. Terwijl ik nog helemaal niet mocht.’
Hij legde de foto op de grond. Zijn moeder schoof de schaal met de laatste appelpartjes naar de rand van de salontafel.
‘Je kunt morgen vertellen wat je net aan mij vertelt,’ zei ze.
‘Dan zegt Feline: zie je wel.’
‘Misschien.’
Dat was geen prettig antwoord. Imre pakte een appelpartje. Het was een beetje bruin aan de dunne kant. Hij at eerst die kant op.
Later nam hij de foto mee naar zijn slaapkamer. Hij bleef bij het raam staan. Op het veld lagen geen ballen meer. De pionnen stonden opgestapeld bij de deur van het buurthuis. Zonder lopers leek een baan helemaal nergens naartoe te gaan.
Hij trok zijn blauwe bandje over zijn hand en legde het naast de foto op zijn bureau. Hij had het niet weggegooid. Ook niet uit woede onder zijn bed geschopt. Dat vond hij iets, al wist niemand het.
Hij wilde Daan een bericht laten sturen via zijn moeder. Alleen maar: sorry. Dan was dat alvast gebeurd. Hij liep tot halverwege de trap en bleef staan.
Morgen zou Daan er zelf zijn. Imre wilde Daan aankijken als hij sorry zei. Hij ging weer naar boven, schoof de foto in de bovenste la van zijn bureau en legde zijn kleren voor de volgende dag op zijn stoel.
Zijn sportschoenen zette hij eronder. De neuzen wezen naar de deur.