Hoofdstuk 10 van 14
De zonnebloem doet mee
Vrijdagmiddag wilde Imre meteen een hele ronde lopen. In zijn hoofd was hij al tientallen keren gestart. Nu wilde hij het weer op het echte gras proberen. Feline wilde ook lopen, maar Sami had een vraag.
‘Wat als ik je niet versta?’ vroeg hij aan Imre.
‘Ik zeg toch niks belangrijks.’
‘Je roept vaak mijn naam. Dan denk ik dat ik iets moet.’
Imre dacht aan woensdag. ‘Dan roep ik alleen als ik niet bij je kan. Anders kijk je naar mij en de bal.’
Sami hield zijn handen als een mandje. ‘Zo is al genoeg. Dat kan ik zien.’
Ze stonden in het vak toen meneer Ben aankwam met zijn stoel onder de arm. De rieten hoed zat weer op zijn hoofd. De stoffen zonnebloem hing een beetje scheef. Hij klapte zijn stoel uit en vertelde Vera over de bloemen in zijn tuin.
‘Morgen ben ik er nog,’ zei hij tegen de kinderen. ‘Met beide duimen.’
Hij stak zijn handen omhoog. Sami keek op. Meneer Bens handen waren net zo open als die van hemzelf, maar veel hoger.
Daan draaide zich naar de stoel. ‘U gaat toch niet ook lopen?’
‘Alleen als ze koffie zetten.’
De zonnebloem danste toen hij lachte. Feline stond voor de grap klaar alsof ze de bal van hem verwachtte. Daarna keek ze weer naar Daan, die in de baan liep om een wissel uit te proberen. Haar lach verdween niet helemaal uit haar gezicht. Toen Daan bij haar was, had ze de bal keurig vast.
‘Ik keek eerst naar de hoed,’ zei ze op de terugweg. ‘Die doet alsof hij ook een hoofd is.’
‘Hij heeft een bloem als oor,’ zei Sami.
‘Ik heb twee echte,’ zei meneer Ben. Hij tilde de hoed op om het te bewijzen. Zijn haar bleef in een platte cirkel liggen.

Imre voelde hoe makkelijk het was om nu overal naar te kijken. Stoel, bloem, Vera's tas, fiets bij het hek. Feline gaf hem de bal. Hij ging terug naar het vak en stak hem tussen Sami's open handen.
‘Dus als hij gaat zwaaien,’ zei hij, ‘hoef jij niet te denken dat je weg moet.’
‘Ik moet de bal hebben,’ zei Sami. ‘Dat weten we al.’
‘Ja.’ Imre liet los. ‘Dat weten we.’
Ze oefenden hun drie wissels nog een paar keer, met pauzes ertussen. Daan wilde dat Feline haar handen iets lager hield. Als ze ze voor haar borst hield, moest hij op het einde de bal optillen. Feline probeerde het bij haar buik. Daan hoefde zijn pas niet te veranderen. Hij straalde alsof hij zelf een klein stukje sneller was geworden.
Sami wilde na de wissel naar buiten lopen, weg van het pad waar de volgende terugkwam. Ze bekeken waar dat kon: naast hun eigen vak, buiten de baan, bij de plek waar Vera hen ook had laten wachten. Niemand hoefde vlak voor een andere loper langs.
Toen deden ze één hele ronde. Meneer Ben klapte. Vera keek toe. Imre schoot bij het startsein niet zo hard weg als hij had gedacht. Hij struikelde niet, maar de bal gleed even langs zijn shirt. Hij moest hem hoger vastpakken. Op de terugweg zag hij Sami's handen en wilde hij afremmen. Zijn benen deden nog twee korte pasjes voordat ze luisterden.
Het lukte. Sami liep. Daarna Daan. Daarna Feline.
Niemand wist hun tijd. Vera had haar klokje in haar zak gehouden. Dat vond Feline jammer. Imre ook een beetje.
‘Morgen houd ik de tijd wel bij,’ zei Vera. ‘En ik kijk wie het eerst over de lijn komt. Voor vandaag is het genoeg. Jullie moeten nog benen overhouden.’
Ze ruimden de bal op en dronken hun flessen leeg. Feline vroeg of ze zaterdag dezelfde volgorde hielden. Ze vroeg het aan alle drie.
‘Ja,’ zei Sami.
‘Ja,’ zei Daan.
Imre trok zijn blauwe bandje recht. ‘Ja.’
Meneer Ben klapte zijn stoel in. Bij het hek viel zijn hoed op de grond. Daan zette hem even op. De zonnebloem kwam tot aan zijn neus. Hij zei dat hij niets zag maar wel heel hard kon supporteren. Toen gaf hij hem terug.