Hoofdstuk 12 van 14
De lijn vlak voor zijn voeten
Bij Vera's tafel lagen drie lijsten met elk vier namen. Ze wees de blauwe aan. Imre, Sami, Daan, Feline. Het was een heel gewone lijst, met een vlekje naast de tweede naam. Imre wilde ernaar blijven kijken.
‘Klopt het nog?’ vroeg Vera.
Ze zeiden alle vier ja.
‘Dan kunnen jullie naar baan drie. Eerst rustig bewegen. We beginnen over een kwartier.’
Feline keek naar de andere teams. De gele kinderen waren er allemaal. Liv stond nu rechtop en haar veters zaten vast. De kleinste rode loper heette Mats. Dat hoorde Imre toen de moeder van de jongen ‘Mats!’ riep. Hij mocht de helft van een banaan terugkomen halen voordat hij begon.
‘Hij eet nog,’ zei Daan.
‘Hij is niet de eerste,’ zei Sami. ‘Wij hebben ook net gegeten.’
Imre vond het raar om iemand met wie je ging racen een banaan te zien eten. In zijn hoofd waren de anderen al aan het rennen. Nu moest Mats de schil in een bak doen en plakte er iets aan zijn duim.
Ze liepen een stukje op het gras, buiten de banen, en maakten hun benen warm. Feline ging niet sneller dan de anderen. Ze draaide haar schouders en stopte toen Imre stopte. Daan vertelde dat zijn pleister goed bleef zitten. Niemand vroeg hem nog een keer of hij het wel zeker wist.
Bij de tafel kregen ze een bal. Het was niet precies dezelfde als die uit Imres tuin. Deze had een klein oranje rondje bij de naad. Imre kneep erin. Even zacht. Even groot. Hij liet Sami en Daan hem ook even vasthouden, en daarna Feline.
‘Geen tas,’ zei Sami.
Daan grinnikte. ‘Jammer.’
Imre nam de bal terug. Zijn vingers waren koud geworden, ook al was het warm. Hij hield de bal met beide handen en voelde de kleine deukjes. Hij had nu niets meer te doen tot de start. Geen veters. Geen lijst. Geen bal om uit te kiezen.
Vera riep iedereen bij de banen. Ze wees nog één keer de pionnen, de wisselvakken en de lijn aan. Dezelfde afstand voor alle drie. Dezelfde regel als iemand de bal liet vallen. De vierde loper maakte het team af. Haar collega Aziz ging aan de zijkant staan, waar hij de pionnen en terugweg goed kon zien. Vera bleef bij de finish.
‘We lopen één wedstrijd,’ zei ze. ‘Als die klaar is, zijn de plekken verdeeld. Voor de lol mag je daarna nog spelen, maar we doen de uitslag niet opnieuw.’
Imre keek naar geel. Kian was hun eerste, net als woensdag. Die stuiterde de bal één keer in zijn handen en hield hem toen stil. De rode eerste loper wreef over zijn neus.
Sami kwam bij Imre staan. ‘Ik zet mijn handen hier.’ Hij hield ze voor zijn buik. ‘Je hoeft me niet te zoeken.’
‘Ik weet het.’
‘Ik zeg het toch even.’
Imre knikte. Verder naar achteren trok Daan zijn sok op. Feline stond met haar armen los naast haar lichaam. Het wachten hoorde deze keer bij haar beurt. Ze zag dat Imre naar haar keek en stak haar wenkbrauwen op, alsof ze vroeg of er iets was. Hij schudde zijn hoofd.
Vanachter het hek klonk zijn moeders stem. ‘Imre!’
Hij draaide zich om. Ze stak alleen haar hand op. Er zat geen telefoon in. Hij zwaaide kort met de bal. Toen keek hij terug naar de pion.
Vera vroeg de mensen om achter het lint naast de banen te blijven. Meneer Ben schoof zijn stoel een stukje naar achteren. De zonnebloem schudde nee en ja tegelijk. Een kind riep dat hij niets kon zien. Er werd ruimte gemaakt.
Imre ging achter de lijn staan. De punt van zijn linkerschoen zat bijna tegen het wit. Hij zette zijn rechtervoet een beetje naar achteren. Zo stond hij prettig. Hij hoefde er niet uit te zien als Kian.
Vera stak haar arm omhoog. Imres hart sloeg hard. Dat had het donderdag ook gedaan. Hij kon de bal nog voelen. Hij kon de pion nog zien.

‘Klaar?’
Drie kinderen bogen naar voren. Achter Imre verschoof ergens een schoen, maar hij keek niet meer om.
‘Start!’
Imre duwde de grond weg en liep.