Hoofdstuk 3 van 14
Handen die al weg zijn
Dinsdag lag de bal op de keukentafel tussen een schaaltje pruimen en Imres rekenboek. Vera had hem tot woensdag uitgeleend. Imre mocht er niet mee in de gang rennen. Zijn moeder had die afspraak gemaakt nadat één schoen de kapstok had geraakt.
‘Ik rende niet,’ had hij gezegd.
‘De kapstok ook niet,’ had zijn moeder geantwoord. Daarna had ze hem een pruim gegeven en was ze weer aan het werk gegaan.
Nu stonden Sami en Daan in de tuin, waar geen ruimte was voor een hele baan maar wel voor een wissel. Feline kwam iets later. Ze had zwemles gehad en haar natte haar zat in een staart die onderaan haar shirt donker maakte.
Met twee korte stukjes stoepkrijt tekenden ze een vak op de tegels. Ze liepen vanaf de appelboom naar elkaar toe. De tuin van Imre had maar één appelboom. Daan bleef toch elke keer ‘vanaf dé appelboom’ zeggen, alsof je anders per ongeluk de verkeerde kon kiezen.
Sami hield de bal laag, voor zijn buik. Feline kwam eraan, zette haar handen eromheen en wachtte.
‘Nu,’ zei Sami.
Hij liet los. Feline draaide weg. Er gebeurde verder niets. De bal viel niet. Niemand struikelde. Imre voelde een vreemde teleurstelling: het zag er niet uit als iets waarvoor je elke dag hoefde te oefenen.
Daarna gaf Feline de bal aan hem. Hij hoorde haar schoenen op de tegels, zag een geel vlak en stak zijn handen uit. Zijn rechtervoet was al weg. De bal tikte tegen zijn linkerhand en viel precies tussen zijn schoenen.
Hij stond stil. Feline ook.
‘Je handen gingen met je voet mee,’ zei ze.
‘Ik had hem bijna.’
‘Bijna is op de grond.’ Ze bukte, want ze was nog de loper, pakte de bal en gaf hem opnieuw. Deze keer bleef Imre staan tot hij het zachte geel tegen zijn handpalmen voelde.
Hij liep terug naar de appelboom en kwam aan bij Daan. Daan stond zo dicht bij de voorrand van het vak dat zijn tenen wit waren van het krijt.
‘Niet op de lijn,’ zei Sami.
Daan schoof achteruit. Imre wachtte ongeduldig met de bal in zijn handen. Toen Daan eindelijk klaarstond, duwde hij de bal iets te hard naar voren.
De bal schoot tegen Daans borst en viel. Daan stak zijn hand ernaar uit.
‘Ik moet hem halen,’ zei Imre vlug.
Hij griste de bal van de tegels. Nu had hij de regel zelf gebruikt. Dat hielp een beetje tegen het warme gevoel in zijn wangen.
Ze probeerden andere manieren. Feline wilde dat de ontvanger beide handen als een mandje voor zich hield. Sami wilde daarbij de naam zeggen van degene die eraan kwam. Daan wilde ‘hebbes’ roepen zodra hij de bal had. Eerst riep hij het te vroeg. Daarna riep hij het zo laat dat Imre al bij de appelboom stond.
Uiteindelijk hield de ontvanger zijn handen open en keek naar de terugkomende loper. De loper bracht de bal tussen die handen. Pas als de ontvanger hem vast had, vertrok die. Een naam mocht, maar niemand hoefde op een woord te wachten.
Imre vond vooral het wachten moeilijk. Zijn benen konden niet zien of zijn handen klaar waren. Ze wilden al gaan als ze de bal nog maar zágen.
Na een poosje kwam zijn moeder met water naar buiten. Ze zette vier bekers op het tuinmuurtje. Eén was een grote gele mok met een oor waar Daans hele hand door kon.
‘Is dit ook een beker?’ vroeg hij.
‘Een beker met een handvat,’ zei ze.
Daan dronk met twee handen. ‘Een bal zou ook een handvat moeten hebben.’
‘Dan heet het een tas,’ zei Sami.
Imre proestte water op zijn eigen knie. Feline lachte zo hard dat er een druppel uit haar natte staart op Daans voorhoofd viel. Sami nam Daans lege mok even over en hield hem voor zijn buik alsof hij ermee naar de appelboom ging rennen.

Toen zijn vrienden weg waren, bleef de bal op het muurtje liggen. Imre pakte hem op. Hij sloot zijn ogen en opende zijn handen. Hij kon hem zonder kijken stevig vasthouden.
Morgen hoefde hij hem alleen nog van Daan te krijgen. Met de anderen erbij. Met de mensen die kwamen kijken.
Hij legde de bal terug op tafel, ver van de pruimen. Er zat een geel stukje krijt aan zijn linkerschoen.