Hoofdstuk 5 van 14
De bal tussen twee mensen
Feline was als eerste om haar pion. Op de terugweg kwam Kian dichterbij. Imre wilde haar waarschuwen, maar wat moest hij roepen? Ze kon toch niet harder rennen omdat hij het vroeg? Hij hield zijn mond tot ze bijna bij Sami was.
‘Kom op!’ riep hij toen.
Feline minderde vaart. Sami hield zijn handen open. De bal ging van haar naar hem, bleef even tussen hen in en was toen bij Sami. Hij vertrok. Feline liep het vak uit en boog voorover, haar handen op haar knieën.
‘Goed,’ zei Imre.
Ze stak haar duim op zonder op te kijken.
Sami werd bij de pion ingehaald door de gele tweede loper. Hij kwam terug met zijn mond een klein stukje open. Imre zag hoe zijn haar aan zijn voorhoofd bleef plakken. Hij wilde nu al dat Sami de bal aan hem gaf. Dan kon hij er iets aan doen. Maar eerst was Daan nog aan de beurt.
Daan stond klaar met zijn handen voor zijn buik. Zijn knieën waren gebogen, precies zoals in de tuin. Sami drukte de bal tussen zijn handen. Daan vertrok. Hun team liep tweede.
Imre stapte naar voren. De witte lijn was vlak voor zijn tenen. Hij schudde zijn handen los. Meneer Ben riep iets vanaf zijn stoel. Imre hoorde zijn naam, dacht hij, of misschien alleen het laatste stuk van Daans naam.
Daan draaide om de pion. De rode loper kwam naast hem. Even verdwenen Daans schoenen achter die van de ander. Daarna zag Imre ze weer. Hij keek naar het geel op Daans buik. Alleen naar die bal.
Op baan één ging de laatste loper al weg.
Nu. Imre moest nú.
‘Hier!’ riep hij.
Daan was nog drie grote stappen ver. Hij keek op. Imre had zijn handen al teruggetrokken om met zijn armen te kunnen zwaaien. Zijn ene voet ging over de lijn. Daan kwam het vak in en bracht de bal naar de plek waar de handen net waren geweest.
Een gele vlek tikte tegen Imres elleboog en viel.
Hij draaide zich om. De bal rolde over het gras naar de zijkant van hun eigen baan. Daan dook erachteraan, kwam op één knie terecht en pakte hem. Het blauwe bandje bleef om zijn arm. Er gebeurde verder niets groots. Juist dat was akelig.
‘Terug achter de lijn, Imre,’ zei Vera, vlak naast het vak.

Hij stapte terug. Daan stond op, liep naar hem toe en duwde de bal in zijn handen. Deze keer wachtte Imre. Veel te lang, vond hij zelf. Toen rende hij.
De pion kwam dichterbij, maar niet snel genoeg. Hij zette hard af voor de bocht en moest een extra stap maken om niet tegen het oranje plastic te lopen. De bal zwiepte naar buiten. Hij klemde hem onder zijn arm en rende terug.
Het gele team juichte. Imre keek opzij. De rode slotloper was ook al bijna thuis. Hij probeerde zijn benen sneller te laten gaan. Ze werden alleen zwaarder.
Bij de lijn hoorde hij Feline zijn naam roepen. Hij ging erover, liep nog een paar passen en stopte. Hij wilde zijn handen op zijn knieën zetten, zoals zij had gedaan. De bal zat in de weg. Hij legde hem op het gras.
‘Derde,’ zei Daan achter hem.
‘Omdat jij hem zomaar losliet,’ zei Imre.
Het kwam eruit voordat hij er iets aan kon veranderen.
Daan keek naar zijn vuile knie. Er zat een groen veegje op. ‘Jij ging al.’
‘Je hoorde me toch?’
‘Je riep “hier”. Ik was hier.’ Daan wees naar de grond bij het vak. Zijn stem was dun en hard tegelijk.
Sami kwam erbij staan. ‘Jouw handen waren weg, Imre. Ik stond ernaast.’
Feline ademde nog zwaar. ‘We hadden afgesproken dat je bleef kijken.’
Imre keek naar de andere baan. Daar gaven de gele kinderen elkaar de bal alsof het niets was. Hij haatte dat gewone kleine gebaar. Hij pakte hun eigen bal van het gras en wreef met zijn duim over een deukje.
‘Mijn band zat ook te strak,’ mompelde hij.
Niemand antwoordde. Zijn bandje zat precies zo als bij de start, met ruimte voor een vinger eronder. Hij trok aan de rand tot de blauwe stof scheef om zijn arm hing.