Hoofdstuk 4 van 14
Drie banen vol ogen
Woensdagmiddag stonden er fietsen tegen het hek, een kinderwagen onder de linde en zes tassen op het bankje. Het veld was er nog precies zoals maandag. Toch leek de pion verder weg.
Imre stopte zijn bandje onder zijn mouw en trok het er weer uit. Hij had de blauwe strook thuis met een extra vouw passend gemaakt. Zijn moeder had de vouw met een paar steken vastgezet. Dat had ze bij Daans bandje ook gedaan. Niemand hoefde met stof op zijn pols te lopen.
Op baan één oefende een team met gele bandjes. Imre kende Liv van school. Ze rende vaak hard, maar kon ook lang bezig zijn met het strikken van één veter. Nu zat ze geknield op het gras. Haar teamgenoot Kian stond naast haar en hield de bal boven zijn hoofd.
‘Ze kunnen toch nog niet beginnen?’ fluisterde Daan.
‘Zonder Liv niet,’ zei Sami.
Op baan twee droegen de kinderen rood. Hun kleinste loper sprong steeds met twee voeten tegelijk omhoog, alsof het startsein ergens boven hem hing. Feline bekeek de drie pionnen en liep terug naar hun eigen vak.
‘Ik eerst,’ zei ze. ‘Sami, Daan, Imre. Zoals afgesproken.’
‘We weten het,’ zei Imre.
Hij had graag willen zeggen dat het niet nodig was om het nog eens te noemen. Maar terwijl Feline het zei, zag hij die vier namen voor zich als vier treden. Hij stond bovenaan de laatste. Hij kon er niet meer ongemerkt af.
Vera riep de teams bij elkaar. De kinderen op de andere banen kwamen ook. Ze legde dezelfde regels uit en liet met twee rode lopers een wissel zien. Eén van hen stapte al over de lijn voordat hij de bal had. Vera liet hem teruggaan. Ze zei het rustig. Iedereen kon het zien.
Daarna vertelde ze hoe deze middag ging. Eerst een gezamenlijke proef, zonder prijzen of officiële uitslag voor zaterdag. Dan konden ze vragen stellen en nog iets uitproberen. Zaterdag zou er één wedstrijd zijn tussen deze drie teams.
‘En als je hier wint?’ vroeg een jongen met een rood bandje.
‘Dan heb je deze proef gewonnen,’ zei Vera.
Imre vond dat een heel klein antwoord. Feline knikte alsof het groot genoeg was.
Ze warmden hun benen op door naar het hek en terug te lopen. Daan probeerde onderweg een paar huppels. Sami maakte kleine sprongen en blies daarbij door zijn neus. Imre voelde niets in zijn benen. Dat maakte hem ongerust. Hij wist hoe warme benen hoorden te voelen; nu waren het gewoon twee dingen onder zijn broek.
‘Niet kapotraken vóór we beginnen,’ zei Feline toen hij toch nog heen en weer wilde sprinten. Ze klonk niet boos. Ze zei het terwijl ze zelf haar schoenveter controleerde.
Bij de start stond Imre achter Daan, naast de buitenrand van hun vak. Hij kon over Daans hoofd de pion zien. Er kwam een buurman aan met een brede rieten hoed. Meneer Ben, van de hoek. Er zat een stoffen zonnebloem aan de rand van zijn hoed, zo groot als een bord.
‘Ik kom de hele buurt aanmoedigen,’ zei meneer Ben. Hij schoof zijn tuinstoel buiten het veld, op de plek die Vera aanwees.
De zonnebloem knikte alsof die alvast ja zei.
Imre keek naar het bankje. Vorig jaar had hij daar gezeten. Nu stond hij in het vak en wachtte hij weer. Alleen had hij dit wachten zelf gekozen.
Vera stak haar arm op. Feline boog een klein stukje voorover, de bal tussen haar handen. Er trok een spier langs haar kuit. Op baan één hield Kian zijn gele bal tegen zijn borst. De rode eerste loper zette één voet een stukje naar achteren.
Toen Vera ‘klaar’ zei, voelde Imre de eerste harde stoot van zijn hart. Niet in zijn borst, maar laag in zijn buik. Hij drukte zijn handen tegen zijn broek. Ze waren vochtig.
Hij keek naar Daan. Die keek naar Feline. Sami stond met open handen klaar.

‘Start!’ riep Vera.
De drie eerste lopers schoten weg. Imre deed onwillekeurig een stap mee. Meteen botste zijn knie tegen Daans hiel.
‘Ho,’ zei Daan.
Imre ging terug naar zijn plek. Zijn eigen beurt was nog drie beurten ver weg.