Hoofdstuk 11 van 14
De nacht voor de start
Vrijdagavond zette Imre zijn schoenen naast de achterdeur. Zijn shirt en broek lagen op zijn stoel. Zijn moeder had het blauwe bandje gewassen, omdat er een donkere rand aan zat. Het hing aan één knijper boven de badkuip. Hij ging drie keer voelen of het droog was.
‘Het wordt niet droger als je het vasthoudt,’ zei zijn moeder bij de derde keer.
Hij trok zijn hand terug. ‘Morgen moet het mee.’
‘Dan leggen we het straks bij je kleren.’
Aan tafel had hij twee boterhammen gegeten en daarna nog een halve. Hij wist niet of hij honger had voor zaterdag of gewoon nu. Hij had geen zin gehad om het uit te zoeken.
Nu zat hij op bed met een stripboek, maar hij las steeds hetzelfde vakje. Daarin viel een man uit een boom in een kruiwagen. De eerste keer was het grappig. De vijfde keer keek Imre alleen nog naar het wiel.
Hij legde het boek open op zijn deken en luisterde naar de tv beneden. Er lachte iemand, daarna kwam muziek. Het was vreemd dat beneden een gewone vrijdagavond bezig was. In zijn hoofd was het al zaterdagmiddag.
Zijn moeder kwam het droge bandje brengen. De blauwe stof was zachter geworden en de vouw zat nog vast. Ze legde het op zijn shirt.
‘Ga jij bij de finish staan?’ vroeg hij.
‘Buiten de baan, waar we mogen kijken.’
‘Maar zie je dan ook het begin?’
‘Ja. Het is een rechte baan. Ik kan je zien.’
Hij knikte. Dat had hij eigenlijk moeten weten. Toch had hij het willen horen.
‘En niet de hele tijd filmen?’ vroeg hij.
‘Wil je dat niet?’
Hij haalde zijn schouders op. Op de foto van vorig jaar kon je zijn open mond zien. Als hij morgen de bal liet vallen, zou die misschien voor altijd blijven vallen op haar telefoon.
‘Liever kijken,’ zei hij.
‘Dan kijk ik.’

Ze pakte zijn lege glas van het nachtkastje. Bij de deur bleef ze nog even staan. ‘Welterusten.’
Imre zei welterusten terug. Hij pakte de strip weer. Nu kwam hij twee bladzijden verder voordat hij opnieuw aan het veld dacht.
Zaterdagochtend werd hij vroeg wakker. Zijn benen voelden gewoon. Dat stelde hem een beetje teleur en een beetje gerust. Hij at, kleedde zich aan en bleef daarna bij de achterdeur staan. Het was nog geen tien uur. De wedstrijd begon om twee.
Hij hielp zijn moeder met de was ophangen. In een kussensloop zat een verdwaalde sok. Bij het trekken glipte de wasknijper uit zijn andere hand in de wasmand. Hij had die sok niet zo hard hoeven trekken. Hij deed alles te hard, merkte hij: deuren dicht, bekers neer, woorden eruit.
Om twaalf uur aten ze brood. Tegen half twee trok Imre zijn sportschoenen aan en liep zijn moeder met hem naar het veld. Voor het hek stond Daan met zijn vader. Hij droeg hetzelfde shirt als de hele week en had een nieuwe pleister op zijn hiel. Feline kwam met haar oudere broer. Sami fietste naast zijn moeder en zei dat hij zijn fles bijna in de koelkast had laten staan.
‘Koud water,’ zei Daan.
‘Dan had mijn fles het lekker koud gehad,’ zei Sami. ‘En had ik terug naar huis gemoeten.’
Imre voelde zijn bandje om zijn arm. Hij was er. De anderen ook. Achter het hek stond meneer Ben zijn stoel uit te klappen. De zonnebloem zat vast aan de hoed en knikte in de wind.
De drie pionnen waren op hun vaste plek gezet. Geen nieuwe bocht. Geen langere baan. Gewoon het gras van gisteren. Maar nu stond er een tafel met een kan limonade en een stapel bekers, en hing het gele aankondigingspapier gladgestreken naast de deur.
Imre liep als eerste van hun vieren door het hek. Halverwege het pad wachtte hij op hen. Samen gingen ze naar Vera.