Hoofdstuk 9 van 14
Alles in dozen
Het tasje kwam niet los.
Nina stond op de stoep van Esra’s huis met haar schooltas op één knie. Ze trok aan het hengsel. De knoop werd kleiner en harder. De deur stond al open. Esra keek er een tijdje naar en liet haar toen binnen met tasje en al.
‘Je moest het ook niet voor altijd vastmaken.’
‘Dan was ik het tenminste niet vergeten.’
In de gang stonden dozen met woorden op de zijkant. Nina las keuken, boeken, nog meer boeken en boven. Dat laatste leek haar niet heel handig. Er was in het nieuwe huis ook een beneden. Waarschijnlijk moest iemand bij elke doos raden wat ermee bedoeld werd.
Op de trap lag geen boek meer. Er stond een paar schoenen waar Esra al jaren niet in paste. De veters waren door de handvatten van een tas gehaald, zodat ze niet los hoefden mee te gaan.
‘Mijn moeder wil alles nog een keer zien voordat het weg mag,’ zei Esra toen Nina keek.
‘Waarom?’
‘Omdat ze dan zegt dat ik ze pas net had.’
Boven was de stoel met kleren leeg. De kleren lagen nu over het bed. Het zag eruit als een grote verandering die niets had opgelost.
Esra ging op de grond zitten en trok de schooltas naar zich toe. Ze stak haar nagel onder de knoop en duwde hem terug naar waar hij vandaan kwam. Nina wachtte met de jas over haar arm. Ze had hem naar school aan gehad en tijdens de eerste pauze uitgedaan. Het kon haar niets schelen wat mensen ervan vonden, totdat iemand vroeg of haar ene arm langer was dan de andere.
‘Zo,’ zei Esra.
Het tasje lag los op haar schoot. Ze legde de knopen op het kleed en haalde een oud blik uit de kast. Het stond nog niet in een doos. Daar was Nina blij om.
Er zaten meer knopen in dan ze zich herinnerde. Houten, grote witte, drie die bijna op parels leken en één met een deuk erin. Esra liet er een paar door haar vingers gaan. Nina legde de blauwe jas plat.
De korte mouw stak uit.
‘Dat is wel een stuk,’ zei Esra.
‘Dat had ik ook gezien.’
‘Heb je het andere nog?’
Nina haalde het afgeknipte deel uit de binnenzak. Ze legde het ernaast. Samen waren het weer de lange mouw, met een schuine snee dwars over de voorkant.
Esra hield de stukken tegen elkaar. Ze draaide het losse deel om en probeerde het aan de andere kant.
‘Dat zie je.’
‘Ja.’
‘Misschien met iets anders ertussen.’
Ze zochten in de zak met losse stoffen die nog onder Esra’s bed lag. Er kwam een stuk rood met witte stippen uit. Nina hield het naast het blauw. Ze vond het meteen veel te vrolijk. Esra hield een gele strook vast die vroeger om iets anders had gezeten.
‘Dan lijk ik op iemand die naar school moet voor de hele klas,’ zei Nina.
‘Je moet ook naar school.’
‘Niet zo duidelijk.’
Ze legden allebei de stukken weg. Esra schoof de jas een stukje naar zich toe. Ze trok de korte mouw glad, vouwde het randje heel smal naar binnen en legde er haar hand op.
‘Of dit.’
Nina keek.
Het was nog steeds te kort. Je zag het alleen niet meer als een ongeluk met een schaar. Het was een rechte rand, met ruimte erboven. Als ze hem aantrok, zou haar pols eruit komen voordat haar hand begon. Ze probeerde het.
Esra keek vanaf de vloer omhoog.
‘Het kan.’
Nina stak haar arm uit. Toen haar andere. Daar verdween haar hele hand weer in de stof. Ze begon te lachen. Ze had thuis vooral geprobeerd de korte kant langer te denken. Zo naast elkaar kon je er onmogelijk omheen.
‘Die andere moet ook iets,’ zei ze.
‘Maar niet hetzelfde.’
‘Nee.’
Ze trokken de jas weer uit en vouwden de lange mouw tot hij goed lag. Esra liet Nina zelf twee keer kijken. Ze zei er niets bij. Dat was prettig. Nina zette een speld en daarna nog één, op een plek waar haar hand er niet in kon schieten.
Er werd beneden iets verschoven. Esra riep dat ze nog niet klaar waren. Haar vader antwoordde dat hij dat nergens naar had gevraagd.
Ze gingen met de jas naar de tafel in de kleine kamer achter de keuken. Daar stond de naaimachine. Nina ging op de stoel zitten. Esra hield de stof recht en schoof de andere mouw opzij zodat die niet onder het naaivoetje kwam. Het eerste stukje stikte Nina te snel. Er kwam een kleine plooi in. Ze stopte en maakte hem los.

‘Doe maar langzaam,’ zei Esra.
‘Ik doe langzaam.’
Esra keek naar het voetpedaal.
Nina haalde haar voet eraf. Ze glimlachte een beetje en begon opnieuw.
Na een tijdje zaten beide randen vast. Het duurde langer dan knippen. Dat was niet eerlijk, maar de mouw bleef nu tenminste heel. Nina trok de losse draadjes eruit en hield de jas omhoog.
Esra liet haar eigen zilveren jas zien. Ze wilden alleen de mouwen een beetje innemen en de oude binnenzak herstellen. De schouders moesten blijven. Ze trok hem aan en liep een rondje door de kamer met haar kin omhoog. Nina deed alsof ze haar niet herkende.
‘Mag ik u iets vragen?’ zei ze.
‘Nee.’
Ze moesten allebei zo hard lachen dat Esra tegen de tafel leunde. Boven hen klonk een stem die vroeg of het ook iets zachter kon. Ze deden hun handen voor hun mond en maakten het daarmee eerst erger.
Toen het weer ging, zette Esra de naaidoos opzij. Ze legde een vel naast de machine. Het was de tekening van haar nieuwe kamer, met de stoel die Nina erop had gezet.
‘Dit heb ik veranderd,’ zei ze.
Er stond een pijl tussen de kast en het bed. Het bureau stond nu tegen de andere wand. De stoel had nog steeds de poten die je niet zag.
‘Daar komt dus weer dat licht?’ vroeg Nina.
Esra knikte. ‘En ik kan vanaf daar de tuin zien.’
‘Leuk.’
Ze hoorde hoe kort het was. Ze keek naar de machine, naar de zilveren mouw die over de rand hing. Esra liet de tekening liggen.
‘Je mag het best stom vinden,’ zei ze.
Nina trok een draadje van haar broek. ‘Ik vind het ook stom.’
‘Ja. Dat merk ik.’
Ze zaten even stil. Buiten klapte iemand een deur dicht. Esra ging met haar duim over de rand van het papier.
‘Ik moet toch ergens mijn bed neerzetten,’ zei ze.
Nina keek op.
‘Dat weet ik.’
‘Dan kan ik het toch ook leuk vinden als het past?’
Nina had willen zeggen dat ze dat niet bedoelde. Ze had juist wel bedoeld dat Esra niet zo blij moest kijken naar die tekening. Dat het leek alsof ze geen groot probleem had met verder weg wonen. Het was vervelend dat die gedachte zo klein klonk zodra Nina hem goed hoorde.
‘Het is straks niet meer even de hoek om,’ zei ze.
‘Nee.’
‘Je zegt steeds dat het wel meevalt.’
Esra trok haar trui recht. ‘Omdat ik het zelf ook nog niet heb gefietst.’
‘Dat kun je toch wel zien?’
‘Ja. Op een kaart is het een heel klein stukje.’
Nina keek naar haar. Esra begon te glimlachen, onzeker eerst. Nina wilde niet lachen. Dat lukte niet helemaal.
‘Je hebt die kaart gewoon heel klein gemaakt.’
‘Misschien.’
Ze schoven het papier opzij en gingen verder met de jas. Bij de binnenzak zat een naad los. Nina hield de voering op terwijl Esra de plek zocht waar hij weer vast moest. Haar vingertop zat net in de weg. Ze haalde hem terug en liet Esra zelf kijken.
‘Hoe is het met Bram?’ vroeg Esra.
Nina keek naar de zilveren stof.
‘We gaan nog niet verder. Mama wil eerst praten.’
‘Met jou?’
‘Met ons.’
Ze hielp de voering rechtleggen. Er zat een piepklein stuk zwart aan de binnenkant dat iemand ooit met de hand had hersteld. De draad was dikker dan de stof.
‘Ik heb Tijn gezegd dat hij het nog niet moest vertellen,’ zei ze.
Esra trok haar hand van de jas. ‘Wat?’
‘Dat hij niet wou.’
‘Heeft hij dat gezegd?’
Nina knikte. Ze keek nog steeds naar de naad.
Esra pakte de jas opnieuw vast. Ze streek de voering glad, deze keer langzamer. Ze zei niet wat Nina nu moest doen. Nina was daar niet opgelucht over.
Toen de jas klaar was, stond Esra’s moeder in de deuropening. Ze vroeg of ze de machine opzij mochten zetten. De tafel moest uit elkaar voordat de spullen er weer op kwamen. Nina hielp de snoeren oprollen en pakte haar eigen jas.
Ze trok hem aan. De ene mouw was korter dan de andere. De knopen waren nog oud. Ze stak allebei haar handen in de onderste zakken.
‘Ik vind hem goed,’ zei ze.
Esra ging naast haar staan in het zilver. Ze keken naar hun spiegelbeeld in de donkere ruit. Je zag vooral hun schouders en het licht achter hen. Er was net genoeg glas voor allebei.