Hoofdstuk 3 van 14
De blauwe jas
Esra stond bij de ingang van de buurthal in een regenjas die ze straks niet meer nodig wilde hebben.
‘Hij zweet aan de binnenkant,’ zei ze.
Ze hield haar armen van haar lijf. Nina keek naar de lucht. Boven de daken hing één grote grijze wolk. Verder was er niets.
‘Dat is gewoon regen die alvast naar binnen wil.’
‘Dan moet hij wachten.’
Esra sloeg de jas over haar arm en trok de deur open. De geur van oud karton en koffie kwam hen tegemoet. Binnen stonden lange tafels, met daartussen rekken vol kleding. Er lag een rond kleed over een tafel alsof daar iemand zijn hele woonkamer had neergelegd. Erboven stond een vaas waar geen bloemen meer bij nodig waren. Hij was zelf al groot genoeg.
Ze waren hier in het voorjaar ook geweest. Toen had Nina een fluwelen rok gekocht die thuis ineens geen rok bleek te zijn. Het was een hoes voor een heel smal tafeltje. Ze hadden de onderkant losgemaakt en er toch een rok van gemaakt. Haar moeder had gevraagd waarom er aan de achterkant nog een zak voor afstandsbedieningen zat.
Dat was juist het beste eraan.
‘Eerst die kant,’ zei Esra.
Ze wees naar de kledingrekken. Nina liet zich langs een tafel met kopjes trekken. Eén kopje had een oor dat te klein was voor een vinger. Ze nam het niet mee.
Bij het tweede rek stak er iets zilverachtigs uit tussen twee bruine jassen.
Esra hield stil.
Ze haalde het kledingstuk van de hanger en hield het voor zich. De schouders waren ongeveer twee keer zo breed als zijzelf. Er zaten knopen op die niets leken vast te maken. Het licht uit de tl-buis bleef in plooien aan de stof hangen.
‘Die,’ zei ze.
‘Je hebt er nog een paar armen bij nodig.’
Esra stak haar hand door een mouw. Hij kwam aan de andere kant net tevoorschijn. Ze trok de jas verder aan en liep naar de spiegel die tegen de muur stond.
Nina volgde. Er zat een barst in een hoek van de spiegel. Daardoor kreeg Esra onderaan één extra schoen.
‘Hij is fantastisch,’ zei Esra.
Dat was hij. Nina moest er hard om lachen, maar ze bedoelde het ook. Haar vriendin zag eruit alsof ze elk moment met haar schouders een deur open kon duwen zonder daar last van te hebben.
Een vrouw achter de tafel zei dat de schoudervullingen eruit konden.
Esra keek bijna beledigd. ‘Die wil ik juist.’
Ze draaide zich opzij. Nina hield een mouw omhoog zodat ze kon zien hoe de rug viel. Daarna liet ze hem weer los. De jas ging niet doen alsof hij kleiner was.
Esra kocht hem.
Nina had nog niets gevonden. Ze wilde geen gewone jas die toevallig goedkoop was. Dan kon ze haar eigen donkergrijze blijven dragen. Aan het einde van het rek hingen drie werkbroeken en iets blauws dat te zwaar was voor de dunne hanger.
Ze pakte het vast.
Het was een jas van stevige katoen. Aan de voorkant zaten vier zakken, twee boven en twee onder. Aan de zijkant nog een kleine, waarvan de opening naar achteren wees. Er zat een witte veeg bij de linkerelleboog. Ze wreef erover. Hij bleef zitten.
‘Die staat je,’ zei Esra.
Nina trok hem aan. De schouders pasten bijna. De mouwen waren veel te lang. Als ze haar handen liet hangen, verdwenen ze.
Ze vouwde de uiteinden om en liep naar de spiegel. Het blauw maakte haar gezicht lichter. Ze trok haar elastiek los, schudde haar haar uit en deed het toen weer vast. Daar werd de jas niet anders van, maar ze wilde het even zien.
‘We kunnen die mouwen korter maken,’ zei Esra.
‘En andere knopen.’
‘Dikke.’
Nina stak haar handen in de onderste zakken. Haar hele hand paste erin. Met ruimte over. Ze had geen idee wat ze erin ging stoppen. Ze vond het heerlijk dat ze dat niet eerst hoefde te weten.
Hij kostte twaalf euro. Dat liet nog acht over van haar eigen geld. Ze had de munten thuis in een klein doosje gedaan, zodat ze niet gedachteloos onderweg iets te eten zou kopen.
Esra hield de hanger vast terwijl Nina betaalde. Nina hield de jas meteen aan. Haar eigen jas ging opgerold in de tas van Esra. Die vond dat Nina nu minstens de helft van de boodschappen moest dragen als ze nog iets kochten.
Er zat een kraampje met stof en knopen aan de andere kant van de hal. Ze hadden de vorige keer een vrouw gezien met grote blikken. Als je de deksels opendeed, rook het naar metaal en oud garen. Nina wilde iets donkerroods voor de knopen. Of juist geel. Ze waren het nog aan het bespreken toen Esra bij een rij schoenen bleef staan.
‘Loop jij maar vast,’ zei ze. ‘Ik kom zo.’
Nina ging tussen twee tafels door. Aan de ene kant lagen gebaksvorkjes. Aan de andere kant stonden plantenpotten, een stapel bordjes en een grijsblauwe bak.
Ze hield stil.
De bak was breed en laag, met een rand die naar binnen boog. Er zat aan de onderkant een donkere rubberen ring. Ze tilde hem op. Hij was zwaarder dan ze verwachtte.
‘Voor een hond,’ zei de man achter de tafel.
Dat had ze gezien.
Ze draaide hem om. De bodem was schoon. Er stond geen naam op en er zaten geen kleine hondjes langs de buitenkant. Hij zag eruit alsof hij gewoon in een keuken kon staan zonder dat je hele keuken meteen over honden ging.
‘Hoeveel?’ vroeg ze.
‘Acht.’
Ze liet hem op haar hand rusten. Naast de keukendeur was het koudst. Daar lagen tegels. De bak paste tegen de muur. Als Bram eraan kwam, kon hij zijn kop een klein stukje opzij draaien zonder eerst overeind te hoeven komen.
‘Mag ik even kijken?’
De man knikte. Nina pakte de rand met beide handen vast, alsof er al water in zat. Hij bleef recht. Dat was een stomme manier om een bak te bekijken. Toch wilde ze nog even voelen hoe hij was als ze ermee liep.
‘Gevonden?’ vroeg Esra achter haar.
Ze hield één schoen vast, met een vinger door de lus aan de achterkant. Het was geen schoen die ze wilde kopen. Ze had waarschijnlijk alleen willen laten zien hoeveel glitters erop zaten.
Nina zette de bak neer en haalde het doosje uit haar tas.
‘Deze.’
‘Voor Bram?’
Ze knikte. Ze gaf de man de munten. Hij telde ze niet hardop, maar schoof ze één voor één in een blik onder de tafel.
Esra zette de schoen terug.
Ze liepen verder. Nina droeg de bak in haar arm, tegen haar buik. Haar nieuwe jas was dik genoeg om de kou ervan niet te voelen.
Bij de knopenkraam trok Esra een deksel open. Er zaten grote gele knopen in, bijna vierkant. Nina hield er één tegen haar jas. Dat was precies het soort knop dat ze had bedoeld.
‘Hoeveel heb je er nodig?’ vroeg Esra.
Nina keek langs de voorkant naar beneden. Vier. Misschien vijf, als ze de bovenste ook verving.
‘Ik heb geen geld meer.’
Esra keek naar de bak. Toen legde ze de gele knop terug.
‘Ik dacht dat we hiervoor kwamen.’
‘Die kan ik toch een andere keer kopen?’
‘Ja.’
Er zat een rand aan dat ja waar Nina zich aan ergerde. Het was haar eigen geld. Het waren haar knopen. Haar jas zat nog steeds dicht met de oude. Er was niets kapotgegaan omdat ze die bak had gekocht.
‘Jij hebt toch je jas?’ zei ze.
Esra deed het deksel dicht. Ze bleef even staan met haar hand erop.

‘Ik ging niet alleen omdat ik een jas nodig had.’
Nina wist niet wat ze daarop moest zeggen. Natuurlijk waren ze samen gegaan. Ze stonden toch naast elkaar? Als Esra zelf nog iets wilde bekijken, kon dat ook.
‘Zeg dan wat je wilt doen.’
Esra pakte haar tas steviger vast. ‘Ik wil naar huis.’
Buiten regende het. Niet hard, maar wel genoeg om Nina’s haar vochtig te maken. De blauwe jas trok zich er niets van aan. Esra haalde Nina’s oude jas uit haar tas en gaf hem terug.
Ze namen niet de lange weg. Bij de eerste kruising stak Esra haar hand op en sloeg af. Nina bleef even staan tot het licht groen werd.
Daarna zette ze de bak in haar fietstas. Hij paste er schuin in. Om hem heen zat haar oude jas, zodat hij niet rammelde.
Thuis pakte ze hem meteen weer uit. Ze had een plek voor hem.