Hoofdstuk 14 van 14
De lange straat
Nina vertrok vroeger dan ze had gezegd.
Ze was toch al klaar. De jas zat dicht, haar telefoon was opgeladen en het adres stak uit de borstzak. Ze trok het papier iets verder naar beneden zodat het er niet onderweg uit kon waaien.
Tijn stond in de gang met één schoen aan.
‘Ga je nu al?’ vroeg hij.
Ze knikte.
‘Je zit steeds op je sleutel.’
Ze voelde bij haar achterzak. Hij had gelijk. Ze haalde hem eruit en stopte hem in de andere borstzak. Tijn ging op de trap zitten om zijn tweede schoen aan te trekken.
‘Dat is een eind,’ zei hij.
‘Dat weet ik.’
‘Ik bedoelde het gewoon.’
Ze knikte, deze keer zonder meteen iets terug te zeggen. In de keuken riep haar moeder dat ze haar fietslicht ook even na moest kijken. Nina zei dat het dag was en keek het toch na. Het stond uit.
Buiten trok de wind aan de onderkant van haar jas. Ze zette haar voet op de trapper en duwde af. De eerste straten kende ze. Bij de bakker, over de brug, langs de winkel waar het op zaterdag altijd naar warm brood rook, ook al verkochten ze er vooral lampen en kleine apparaten. Er zat een keuken achter. Ze had nooit eerder willen weten van wie.
Ze trapte door.
Na de brug moest ze rechtdoor, veel verder dan ze gewoonlijk ging. Er kwamen nieuwere huizen, lager en breder. Tussen twee gebouwen lag een leeg stukje grond met hoog gras. De wind had er vrij spel. Nina boog haar hoofd een beetje en trok haar linkerhand verder in de mouw van haar trui.
Ze had andere kleren aan kunnen doen. Iets dat aan allebei de kanten dezelfde lengte had. Ze wilde deze jas.
Bij een kruising stapte ze af. Ze pakte haar telefoon en bekeek de straatnaam. Het pijltje op het scherm stond op de verkeerde plek tot ze even wachtte. Toen schoof het naar waar ze echt was.
Ze moest nog verder.
Esra had ongeveer twintig minuten gezegd. Nina keek niet op de klok. Ze wilde niet weten hoeveel van ongeveer er al voorbij was.
Bij het volgende zijpad sloeg ze rechts af. Er stonden bomen tussen de huizen en de straat liep een stukje naar beneden. Halverwege zag ze dat de naam niet klopte. Hij begon met dezelfde twee letters, wat bij nader inzien geen bijzondere prestatie was voor een straatnaam.
Ze fietste door tot ze kon draaien. Toen reed ze hetzelfde stuk weer omhoog.
Haar jas werd warm op haar rug. Ze deed de bovenste knoop los en keek opnieuw op haar telefoon. Deze keer las ze de hele naam voordat ze afsloeg.
Aan het einde van de straat stond een groene deur.
Er waren meer groene deuren. De goede had een kleine smalle ruit boven het handvat, met binnen een gordijntje dat nog niet recht hing. Nina herkende hem van Esra’s foto.
Ze zette haar fiets tegen de muur en keek even naar de ramen. Ze wist niet welk raam van haar vriendin was. Dat was nieuw. Bij het oude huis keek ze vanzelf naar de bovenste hoek, waar soms een hand verscheen voordat er iemand naar de deur kwam.
Ze belde aan.
Esra deed open met een pluk haar die dwars over haar gezicht zat. Ze duwde hem opzij en keek naar Nina’s fiets.
‘Je bent er.’
‘Ja.’
‘Ging het?’
Nina leunde met één hand op de muur. ‘Ongeveer twintig minuten.’
Esra keek naar haar. Toen begon ze te lachen.
‘Het was voor mij ook een schatting.’
‘Een hele slechte.’
‘Kom binnen.’
Ze duwde de deur verder open. De gang rook naar verf en naar iets zoets dat in de keuken moest staan. Er lag een rol plastic onder de kapstok. Nina stapte erover en veegde haar schoenen op de mat.
Esra’s moeder stond in de deuropening met een snoer in haar hand. Ze zei Nina gedag en vroeg of er boven nog een stopcontact vrij was. Esra zei dat ze dat zo zou bekijken. Haar moeder liep al verder, met het snoer achter haar aan.
Ze gingen de trap op. Hij draaide anders dan die in het oude huis. Nina wilde de muur aanraken op een plek waar nu een leuning was. Ze haalde haar hand terug en liep achter Esra aan.
De kamer was echt groot.
Veel groter dan Nina had willen geloven toen ze naar die kleine vierkanten keek. Het bed stond tegen de wand met het licht. Er lag nog geen kleed. Op de vensterbank stonden twee glazen met penselen erin. De oude spiegel leunde tegen een doos, met zijn goede kant naar de muur.
Esra ging midden op de vloer staan en draaide een keer rond.
‘Het is toch goed?’
Nina keek naar het raam. Daarachter lag de tuin, met een boom die te dicht bij het schuurtje stond. Er zat een kale plek aan één kant, waar iemand vast iets had weggehaald.
‘Ja,’ zei ze.
Ze bedoelde het. Het kwam er iets te zacht uit, dus zei ze het nog een keer.
Esra glimlachte. Ze bukte om de spiegel van de doos te halen. Nina pakte de andere kant. Samen zetten ze hem tegen de lege wand, op de plek waar hij op de tekening ook had gestaan.
‘Daar?’ vroeg Nina.
Esra deed een stap naar achteren. ‘Iets naar links.’
Nina schoof hem een stukje. Er kwam zon op de rand. Esra keek nog een keer en knikte.
Beneden riep haar moeder dat er iets te eten was. Esra verdween even naar de trap en kwam terug met een schaal en twee glazen. Er lagen stukken plat brood op, met iets groens dat aan haar vingers bleef plakken.
‘Mijn vader heeft de borden nog niet gevonden,’ zei ze.
Ze gingen op de grond zitten, met hun rug tegen de zijkant van het bed. Nina deed haar jas uit en schoof hem onder zich. De dikke stof maakte de vloer zachter. Ze stak haar benen uit zonder een stoel te raken.

‘Bram is ergens anders,’ zei ze.
Esra hield haar glas even stil. ‘Al?’
Nina knikte.
‘Mama heeft het gisteren gehoord.’
‘Dat is rot.’
Nina keek naar de schaal. Er zat een donker stukje aan de rand van het brood. Ze brak het af en liet het tussen haar vingers liggen.
‘Voor mij,’ zei ze.
Esra knikte. Ze maakte de zin niet af. Nina was blij dat ze hem niet af hoefde te maken met een uitleg over alle mensen die er wel iets aan hadden.
Ze aten even. Aan de andere kant van de muur werd iets tegen een vloer geschoven. Er klonk een stem die riep dat de kast andersom moest. Esra ging niet kijken. Ze duwde de schaal met haar voet een stukje dichterbij.
‘Tijn heeft laatst mijn jas aan gehad,’ zei Nina.
‘Welke?’
Ze trok de blauwe stof onder haar been vandaan en liet de lange mouw zien. Esra moest lachen. Nina vertelde hoe zijn hand er aan de ene kant precies uitkwam en aan de andere kant helemaal niet. Bij de broodtrommel begon ze zelf ook opnieuw te lachen.
Esra zette de glazen op de vensterbank. Ze ging voor de spiegel staan en hield de zilveren jas voor zich. Hij hing nog op een hanger die veel te klein was voor de schouders.
‘Maandag?’ vroeg ze.
‘Op school?’
‘Waar anders?’
‘Je wordt gezien vanuit de andere lokalen.’
Esra trok de jas aan. Het licht in de kamer maakte hem nog erger. Nina hield haar hand voor haar ogen en gluurde tussen haar vingers door.
‘Ik doe de mijne ook,’ zei ze.
Ze pakte hem van de grond, schudde de kruimels eruit en trok hem aan. In de spiegel zag je haar korte mouw en Esra’s enorme schouders. De knopen van haar jas waren nog steeds de verkeerde. Ze vonden het allebei geen reden om hem uit te doen.
Na een tijdje gingen ze weer zitten. Nina hoorde Esra vertellen over de buurjongen die steeds zijn fiets voor hun deur zette. Ze kende hem niet. Ze stelde hem zich verkeerd voor en moest het beeld twee keer aanpassen.
Van buiten kwam een trein voorbij, veel verder weg dan bij Nina thuis. Esra draaide haar hoofd er niet meer voor om. Ze woonde hier al.
Nina trok haar voeten uit de zon en leunde tegen het bed. Ze vroeg of ze volgende keer de andere kant van de buurt konden bekijken. Esra zei dat ze die zelf ook nog niet kende.
Ze spraken af om er dan samen te gaan kijken. Nina bleef zitten en pakte het laatste stukje brood van de schaal.