Hoofdstuk 10 van 14
Niet voor hem
Tijn gebruikte de twee stoelen uit de schuur als doel.
De bal ging er steeds langs. Niet omdat hij niet kon richten. Hij stond er met zijn rug naartoe en probeerde hem achter zijn eigen been langs te spelen. Dat lukte soms bijna. Dan moest hij hard naar de andere kant rennen om te voorkomen dat de bal in de planten rolde.
Nina keek vanuit de keuken.
Hij zag haar niet. Ze had de deur al opengedaan. Er stond een klein kiertje onder, waar de wind doorheen trok. Ze trok hem helemaal naar zich toe en stapte naar buiten.
‘Mag ik?’ vroeg ze.
Tijn hield de bal tegen met zijn zool. ‘In het doel?’
‘Ja.’
Hij wees naar de stoelen. Ze liep ertussen en ging op de stenen rand staan. Hij schudde zijn hoofd.
‘Dat is erachter.’
Ze deed een stap naar voren.
‘Daar.’
Hij pakte de bal op en legde hem een stukje terug. Ze ging met haar voeten uit elkaar staan. Haar handen verdwenen bijna in de zakken van de blauwe jas. Ze haalde ze er weer uit.
‘Zacht,’ zei ze.
Hij schoot niet zacht. De bal tikte tegen haar scheen en rolde terug. Ze deed haar mond open. Tijn was al begonnen met lachen.
‘Hij ging er niet in.’
‘Dat merkte ik.’
Hij keek naar haar been. ‘Gaat het?’
Ze knikte. Hij schoot de tweede keer wel zachter. Ze hield hem tegen met de binnenkant van haar schoen en rolde hem terug. Zijn broekspijpen waren niet even hoog opgetrokken. Eén sok was wit, de andere donkerblauw.
Ze had geen zin om te blijven wachten tot haar eigen stem klaar was.
‘Ik heb iets verkeerd gedaan,’ zei ze.
Tijn keek op. Hij had de bal net een klein stukje omhoog gewipt. Hij kwam tegen zijn knie en viel op de grond.
‘Met die mouw?’
‘Nee.’
Hij keek naar haar handen. Ze liet ze los langs haar zij hangen.
‘Bij Bram. En hier.’
Tijn zette zijn schoen weer op de bal. Ze zag hoe hij zijn schouders een stukje optrok.
‘Ik heb gezegd dat jij het wel leuk vond.’
Hij knikte. Dat had hij zelf gehoord. Ze hoefde hem niet te vertellen wat er in dezelfde wandeling was gebeurd.
‘En dat je nog niks moest zeggen.’
‘Dat weet ik.’
Ze knikte ook. Het was veel eenvoudiger geweest toen ze in de keuken had bedacht dat ze gewoon naar hem toe zou gaan. Toen had hij nog niets teruggezegd.
Hij schoof de bal opzij met zijn voet. ‘Gaat het nu door?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Waarom zeg je het dan?’
Ze keek naar de stoel aan haar linkerkant. Er lag een nat blaadje op de zitting. Ze pakte het en legde het op de grond.
‘Omdat ik het niet voor jou had moeten zeggen.’
Tijn draaide zich weg en liep achter de bal aan. Hij tikte hem zacht tegen de muur. Het geluid kwam kort terug, veel minder hard dan Nina vanaf binnen altijd dacht.
‘Ik ben niet verlegen,’ zei hij.
‘Nee.’
‘Jij zegt dat alsof ik niks kan zeggen.’
‘Ik weet het.’
Hij keek om. ‘Nee. Je zegt steeds dat je het weet.’
Ze voelde haar gezicht warm worden. Ze had terug kunnen zeggen dat hij dan iets anders moest antwoorden wanneer Ellen het hem vroeg. Dat ze daar allemaal bij waren geweest. Ze had de woorden al bijna. Ze keek naar de bal en hield haar mond.
Tijn kwam een paar passen dichterbij. ‘Als jij zegt dat ik eerst moet wennen, dan moet ik dus steeds weer.’
Ze keek op.
‘Dan is het iedere keer nog niet goed.’
Ze wilde zeggen dat dat niet de bedoeling was.
‘Ik wil het wel vertellen,’ zei ze.
‘Wat?’
‘Dat ik dat gezegd heb.’
Hij liet zijn blik even naar het keukenraam gaan. Binnen hing een theedoek over de stoel. Haar moeder had hem daar gelaten om te drogen. Er was niemand die hen hoorde. Nina merkte dat ze dat graag zo wilde houden en schaamde zich er meteen voor.
‘Je moet niet mijn dingen vertellen,’ zei hij.
‘Ik bedoel wat ik zelf gedaan heb.’
Tijn ging op de bal zitten. Hij hield zijn voeten stevig op de tegels. Hij keek tussen zijn knieën naar het doel.
Nina ging op de stoel zitten waar het natte blad had gelegen. Ze voelde de vochtige plek door haar broek. Ze bleef zitten.

‘Ik vind Bram niet stom,’ zei hij.
‘Dat denk ik ook niet.’
‘Maar hij moet niet hier.’
Ze hoorde de achterdeur tegen het kozijn tikken. De wind duwde hem steeds een stukje dicht en liet hem weer gaan.
‘Je zou hem niet altijd zien,’ zei ze.
Tijn keek meteen op.
Ze sloot haar mond.
‘Dat bedoel ik dus niet,’ zei hij.
‘Sorry.’
Hij boog voorover en pakte een los stukje gras uit de groef in zijn schoen.
‘Als ik de keuken in ga, moet ik dan eerst kijken waar hij is? En als ik op de grond wil zitten? En als hij achter me langsloopt?’
Ze gaf geen antwoord.
‘Jij vindt dat leuk,’ zei hij. ‘Dat hij zomaar komt.’
Ze knikte.
‘Ik niet.’
Hij hield het stukje gras tussen zijn vingers. Het boog om en viel op zijn knie. Hij streek het eraf en legde zijn handen op de bal.
‘Hier woon ik toch ook.’
Nina keek naar de open deur. Daarachter begon de keuken, de tafel waar Tijn zijn kaarten neerlegde, de plek waar zijn tas stond. Ze had die tas naar boven gebracht zonder het te vragen. Ze had gedaan alsof dat alleen opruimen was.
‘Ja,’ zei ze.
Tijn stond op. De bal rolde een stukje achteruit. Hij zette hem weer onder zijn voet.
‘Ik ga niet zeggen dat het wel kan omdat jij anders gaat huilen.’
Ze trok haar schouders op voordat ze wist waarom. ‘Dat vraag ik niet.’
Hij keek naar haar.
‘Niet meer,’ zei ze zachter.
Hij knikte, heel kort. Ze wist niet of hij haar geloofde. Ze wilde dat hij dat meteen deed.
Ze kwam overeind. De natte plek aan de achterkant van haar broek voelde koud. Ze hield de stoel met één hand tegen zodat hij niet over de voegen schuurde.
‘Zullen we het morgen vertellen?’ vroeg ze.
‘Ik wil zelf.’
‘Ja.’
‘Je moet dan niet weer zeggen wat ik bedoel.’
Ze knikte. ‘Dat doe ik niet.’
Tijn pakte de andere stoel. Hij tilde hem voor zijn buik en bracht hem terug naar de schuur. Nina volgde met de hare. Het doel was nu weg. Op de grond lag nog het blad dat zij van de zitting had gehaald.
Toen ze weer buiten kwamen, stond hun vader in de deuropening. Hij hield een boodschappentas tegen zijn been.
‘Willen jullie deze even aanpakken? Het hengsel gaat eruit.’
Tijn zette zijn voet tegen de deur zodat die openbleef. Nina pakte de onderkant van de tas. Haar vader liet voorzichtig los. Er zat een komkommer in die door een gat naar buiten stak.
Ze zetten hem op de tafel. Haar vader keek van de een naar de ander en vroeg of ze honger hadden.
Tijn zei ja. Nina zei het ook. Ze gingen ieder op hun eigen stoel zitten terwijl hij brood uit de gescheurde tas haalde.