Hoofdstuk 5 van 14
Eén mouw
Maandag kwam Nina thuis met een geel streepje op haar wang.
Ze zag het pas in de spiegel in de gang. Het moest van de stift zijn die ze tijdens de laatste les steeds tegen haar gezicht had gezet. Ze wreef erover met haar duim. Het werd een bredere, lichtere vlek.
‘Mooi,’ zei Tijn toen hij achter haar binnenkwam.
‘Dank je.’
Hij liep door naar de keuken. Er viel iets uit zijn tas. Nina raapte het op. Een kaartje met aan de ene kant een voetballer en aan de andere kant kauwgom die er niet meer af zou gaan.
Ze legde het boven op de kapstok.
De blauwe jas hing eronder. Ze had hem die ochtend nog niet naar school gedragen. Er waren mensen in haar klas die van iedere losse draad meteen wilden weten of dat zo hoorde. Daar had ze vandaag geen zin in gehad.
Ze stak haar armen erin.
De stof voelde al bekender dan op de markt. Ze trok aan de onderkant, liep naar de spiegel en vouwde de linkermouw om. Eén keer. Nog een keer. Nu kwam haar hand eruit.
Zo moest hij ongeveer zijn.
Ze haalde de doos met naaigerei uit de kast in de woonkamer. Haar moeder had er ooit op geschreven wat erin zat. Inmiddels zat er van alles in wat daar niet bij hoorde: een deurknop, een blauwe kralenketting en een sleutel waarvan niemand wist op welke deur hij paste.
Nina vond de stofschaar onder het elastiek. Ze legde hem op tafel, naast een speldenkussen in de vorm van een tomaat. Er stak een naald zo diep in dat je alleen het oog nog zag.
De jas ging uit. Ze legde hem over de tafel en streek de linkerarm plat.
Met een stukje wit krijt maakte ze een streep op de plek waar de mouw korter moest. Ze zette er een speld bij en deed de jas nog een keer aan, met de punt opzij zodat ze hem niet in haar pols kreeg. In de spiegel was de streep bijna niet te zien. Ze trok aan de stof en zette een tweede lijntje.
Haar moeder kwam de woonkamer binnen met een beker.
‘Ga je hem nu al knippen?’
‘Ja. Hij is te lang.’
‘Wel even aan beide kanten kijken.’
Nina knikte. Ze wist dat je aan beide kanten moest kijken. Haar moeder had het bij de rok ook gezegd en toen hadden ze uiteindelijk niet eens aan allebei de kanten evenveel weggehaald. Die rok zat gewoon goed.
Ze deed de jas uit. Het eerste lijntje was over de vouw verdwenen. Het tweede stond duidelijk op de voorkant.
Ze knipte.
De schaar ging zwaar door de stof. Ze moest haar hand een stukje verder naar voren zetten om helemaal rond te komen. Het losgeknipte deel gleed op haar knie en bleef daar liggen.
Ze keek ernaar.
Het was nogal een stuk.
Ze trok de jas weer aan. Rechts verdween haar hand nog steeds. Links eindigde de mouw boven haar pols. Als ze haar arm uitstak, zag je haar trui.

‘O,’ zei ze.
Haar moeder zette haar beker neer. Ze kwam naast de tafel staan en keek naar de twee uiteinden.
‘Ik kan er wel weer wat aanmaken,’ zei Nina voordat haar moeder iets zei.
‘Dat kan.’
‘Een andere stof. Dat kan expres.’
‘Ook dat kan.’
Nina trok de jas uit. Haar moeder keek niet opgelucht omdat ze gelijk had gekregen. Dat maakte het vreemd genoeg erger. Ze pakte alleen de schaar van de rand van de tafel en legde hem verder naar binnen.
‘Laat de andere nog maar even heel,’ zei ze.
Ze ging weer naar haar werk. Nina bleef staan met de jas tussen haar vingers. Er zat een witte streep aan de binnenkant van de afgeknipte mouw. Dáár had ze moeten kijken. Ze had het kunnen zien.
Ze legde hem weer neer.
Haar telefoon schoof trillend over het tafelblad.
Een bericht van Esra. Of Nina haar tas nog bij zich had. Het kleine blauwe tasje, niet die met de jas.
Nina liep naar boven. Het tasje lag onder haar bureau. Er zat een veiligheidsbril in en een doosje knopen dat ze al eerder hadden verzameld. Ze was vergeten dat het er nog was.
Ja, schreef ze. Zal ik meenemen.
Er kwam geen antwoord. Ze maakte een foto van de jas met de twee ongelijke mouwen en stuurde die erachteraan.
Een hele tijd gebeurde er niets. Nina legde de telefoon neer en ging op zoek naar blauwe stof in de naaidoos. Er zat iets lichtblauws in dat ooit een hemd moest zijn geweest. Ze hield het bij de mouw. Het maakte de jas meteen veel netter dan ze wilde.
Esra belde.
‘Wat heb je gedaan?’
‘Dat zie je toch?’
‘Ik bedoel: waarom?’
Nina keek naar het scherm. Je kon niet zien hoe een telefoon naar je keek. Het voelde toch zo.
‘Omdat hij te lang was.’
‘We zouden het samen doen.’
‘Dat kan nog. Het is niet alsof hij af is.’
Aan de andere kant schoof iets. Nina hoorde Esra tegen iemand zeggen dat ze die doos nog niet dicht moest maken. Toen was ze er weer.
‘Ik heb donderdag tijd,’ zei ze.
‘Goed.’
‘En het tasje.’
‘Dat had ik toch gezegd?’
‘Ja.’
Nina trok het lichte hemd weer van de mouw af. ‘Er zat al een hele doos knopen in. We hadden er helemaal geen hoeven kopen.’
Esra zei even niets.
‘Dat was niet het enige,’ zei ze toen.
Nina wist dat wel. Ze wilde alleen nog steeds dat de middag op de markt er iets minder mislukt van werd als ze ergens knopen vond.
‘Donderdag dan,’ zei ze.
Ze hingen op.
In de keuken praatte Tijn met haar vader over een jongen die volgens hem alles altijd al wist voordat het gevraagd werd. Nina ging niet kijken of hij bedoelde wie zij dacht. Ze legde de blauwe jas over de stoel en wreef met haar duim over de krijtstreep. Hij ging niet weg.
Haar moeder kwam een glas water halen en bleef even bij de tafel staan.
‘De spullen ruim je zelf op, goed?’
‘Ja.’
‘En ik heb met Ellen afgesproken dat we morgen na school kunnen. Papa haalt Tijn op.’
Nina knikte zonder haar moeder aan te kijken. Het was een gewone zin. Ze had hem de hele dag al willen horen.
Ze pakte de spelden uit de stof en duwde ze terug in de tomaat. Eén prikte door de andere kant heen. Ze trok hem eruit en zocht een dikker stukje.
‘Denk je dat Bram mijn stem nog weet?’ vroeg ze.
Haar moeder zette het glas neer. ‘Dat zou ik niet weten.’
Nina keek naar haar.
‘Hij zal wel weer gaan ruiken,’ zei haar moeder. ‘Dan kijk je hoe het gaat.’
Ze liep verder naar de keuken. Nina hoorde haar de koelkast opendoen.
De linkerhelft van de jas lag over de stoel. De mouw hing een eind boven de vloer. Nina stopte het afgeknipte stuk in de zak aan de binnenkant. Misschien konden ze er donderdag nog iets mee.
Daarna veegde ze de tafel schoon. Er zaten blauwe draadjes op haar handen. Ze plukte ze er één voor één af en liet ze in de prullenbak vallen.